Mijn Passie

Log hier in met je Entree account

Inhoud

Inleiding

Iedere schuldeiser (crediteur) zal altijd proberen om zo veel mogelijk zekerheid te krijgen dat de schuldenaar (debiteur) aan zijn betalingsverplichtingen gaat voldoen. Afhankelijk van de situatie biedt het recht hiervoor een aantal mogelijkheden. Een enkele keer wordt de zekerheid op grond van een wetsbepaling aan de crediteur toegekend. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het recht van reclame (terugvordering) en bij het recht van retentie. Maar meestal zal de crediteur bij het sluiten van een overeenkomst een bepaalde vorm van zekerheid (bijvoorbeeld dat iemand anders garant gaat staan) afspreken met zijn debiteur.

De man in de video is zijn portemonnee vergeten en kan de rekening niet betalen. Hoe lost hij dit op?

Hij laat zijn Rolex achter en belooft dat hij morgen komt betalen.

Deze theorie gaat over:

  • Welke zekerheidsrechten er wettelijk bestaan;

  • Wat pandrecht en hypotheekrecht betekent in de horeca;

  • Welke rechten pandhouders en hypotheekhouders hebben.

Zekerheid ↑Naar boven

We kennen de volgende vormen van zekerheid voor een crediteur:

  • recht van retentie;

  • recht van reclame;

  • hoofdelijke aansprakelijkheid;

  • borgtocht;

  • eigendomsvoorbehoud;

  • pandrecht;

  • hypotheekrecht.

Recht van retentie

Dit wettelijke recht geeft de crediteur de mogelijkheid om spullen van de debiteur net zo lang vast te houden totdat de rekening betaald is. De rekening is ontstaan omdat de crediteur kosten heeft moeten maken ten behoeve van de spullen van de debiteur (bijvoorbeeld reparatiekosten). Het mag dus niet gaan over andere schulden van de debiteur.

Dat er spullen van een debiteur bij de crediteur zijn, kan komen omdat de spullen bijvoorbeeld ter reparatie zijn aangeboden. Het kan ook zijn dat je als crediteur die spullen hebt, omdat je zaakwaarneming hebt uitgeoefend ten behoeve van de debiteur.

Als je je computer ter reparatie bij de elektronicawinkel hebt gebracht, dan mag de winkel de computer net zo lang vasthouden totdat jij de hele rekening betaald hebt. Als je in de uitoefening van zaakwaarneming de hond van de buren hebt opgevangen, moeten de buren eerst de kosten van het eten vergoeden voordat je de hond terug moet geven aan die buren.

De crediteur mag de spullen van de debiteur niet gebruiken en moet er goed voor zorgen. Als de debiteur de rekening niet betaalt, mag de crediteur de spullen alleen verkopen met toestemming van de rechter.

Het recht van retentie is een heel sterk recht. Zelfs als de debiteur failliet gaat of de spullen doorverkoopt aan een ander, hoeft de crediteur de spullen niet af te geven zolang de rekening niet betaald is.

Het recht van retentie eindigt natuurlijk zodra de kosten betaald zijn. Het recht eindigt ook als de crediteur de spullen uit handen geeft. Blijft de rekening dan toch nog onbetaald, dan kan de crediteur niet opnieuw het recht uitoefenen voor dezelfde schuld.

De wet heeft een aparte wetsbepaling gemaakt voor de hotelhouder. Als gasten de rekening van de overnachting niet betalen, mag de hotelhouder de bagage van die gasten achterhouden. Hij oefent dan het recht van retentie uit op de bagage. Hij mag dat recht niet uitoefenen als het gaat over het niet betalen van het eten en drinken. In dat geval zal hij via een gerechtelijke procedure zijn geld moeten zien te krijgen.

Recht van reclame

Dit wettelijk recht komt toe aan de verkoper van roerende zaken. Als de koper de roerende zaak (zaken) niet of niet helemaal betaalt bij aflevering, heeft de verkoper het recht om ze binnen zes weken als eigenaar terug te halen bij de koper. De verkoper hoeft het recht alleen maar schriftelijk in te roepen en wordt daardoor weer eigenaar. De koper was immers eigenaar geworden bij de feitelijke levering van de roerende zaken. Maar door een beroep te doen op het recht van reclame wordt de verkoper weer eigenaar. Mochten de spullen intussen beschadigd zijn, dan moet de koper de schade vergoeden.

De termijn van zes weken gaat lopen, nadat de koopsom opeisbaar is geworden. Dus als je binnen vier weken na aflevering moet betalen, eindigt het recht van reclame na tien weken. Zelfs als binnen de termijn van zes weken de koper failliet gaat, blijft het recht van reclame bestaan.

Er zijn nog enkele voorwaarden verbonden aan het inroepen van dit recht:

  • De gekochte roerende zaak moet nog in dezelfde staat zijn als bij de verkoop. Koop je hout bij de doe-het-zelfzaak en timmer je er een hok van voor je waakhond, dan is het recht van reclame vervallen. Anders is het dus wanneer er alleen maar sprake is van beschadigingen. In dat geval moeten de gekochte spullen terug en moet de koper de beschadigingen betalen.

  • Ook moet de gekochte roerende zaak nog in het bezit van de koper zijn. Heeft de koper de spullen inmiddels doorverkocht aan een derde te goeder trouw, dan vervalt het recht ook. Natuurlijk blijven de nog openstaande bedragen opeisbaar.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Hiervan is sprake als een crediteur meer dan één debiteur heeft voor dezelfde schuld. Hij heeft dan de keuze wie van de debiteuren hij voor de volledige schuld aanspreekt. De debiteur die aangesproken is, heeft het wettelijke recht (dit heet het regresrecht) om bij de andere debiteur(en) zijn deel van de schuld op te eisen. Voor de crediteur is de hoofdelijke aansprakelijkheid van zijn debiteuren gunstig. Hij kan dan kiezen bij wie hij de vordering indient en zal de meest kapitaalkrachtige debiteur uitzoeken. Bovendien hoeft hij slechts één keer een vordering in te stellen.

Soms geeft de wet aan dat in bepaalde situaties hoofdelijke aansprakelijkheid ontstaat. Dit is onder meer het geval bij:

  • huishoudelijke schulden van echtgenoten;

  • groepsaansprakelijkheid bij schade uit onrechtmatige daad;

  • schulden van een VOF.

Hoofdelijke aansprakelijkheid kan ook ontstaan omdat partijen dat bij het sluiten van een overeenkomst afspreken. Als drie studenten samen een auto voor de vakantie kopen voor 3000 euro, dan kan de verkoper elke student een rekening van 1000 euro sturen. Stel nu dat bij de verkoop van de auto wordt afgesproken dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. De verkoper heeft dan de keuze wie van de drie studenten een rekening van 3000 euro ontvangt. Deze ene student moet vervolgens het volledige bedrag aan de verkoper betalen. De verkoper hoeft zich niets aan te trekken van de afspraken die de studenten onderling hierover gemaakt hebben. De aangesproken student moet vervolgens maar zien dat hij geld krijgt van de andere twee.

Als je samen met iemand een huis koopt en daarvoor een hypotheek afsluit, ben je doorgaans allebei hoofdelijk aansprakelijk.

Borgtocht

Bij een overeenkomst van borgtocht kan een ander persoon dan de debiteur aangesproken worden door de crediteur. Als de debiteur niet betaalt, moet de andere persoon (de borg) betalen. Als die de borg betaald heeft aan de crediteur, kan hij het geld weer terugeisen van de debiteur. De borg is dus eigenlijk de nieuwe crediteur geworden van de debiteur.

Als de debiteur op verzoek van zijn crediteur iemand heeft die borg wil staan, zal de crediteur hier wel mee in moeten stemmen. De crediteur wil wel weten dat de voorgestelde borg voldoende kapitaalkrachtig is, anders heeft hij er nog niets aan.

De reden voor iemand om borg te gaan staan, is vaak gebaseerd op familieverhoudingen. Ouders willen nog wel eens borg gaan staan voor hun kinderen als zij een onderneming starten of bijvoorbeeld een huis kopen.

Het komt ook vaak voor dat borgtocht een zakelijke activiteit is. Zo zal de bank borg kunnen gaan staan voor de schulden van een bedrijf. Dit heet dan bankgarantie. De bank doet dit natuurlijk alleen maar als zij vertrouwen heeft in het bedrijf. Bovendien zal de bank hiervoor betaald willen worden. De bank loopt hoe dan ook risico en wie risico van een ander op zich neemt, wil hiervoor een beloning.

Het is een regel van regelend recht dat de crediteur eerst zijn debiteur moet aanspreken. Pas wanneer de debiteur in verzuim is geraakt kan de crediteur naar de borg gaan.

Is er sprake van meerdere borgen voor dezelfde schuld (bijvoorbeeld beide ouders staan borg voor hun kind) dan is er hoofdelijke aansprakelijkheid van de borgen. Dat betekent dus dat de crediteur, na verzuim door de debiteur, zelf mag kiezen wie van de borgen (ouders) hij zal aanspreken voor de schuld.

Een bank kan borg staan voor de schulden van een bedrijf.

Verkoop met eigendomsvoorbehoud

Als een verkoper eigendomsvoorbehoud maakt, betekent dit dat de koper pas eigenaar wordt als hij alles heeft betaald. De spullen, die onder het eigendomsvoorbehoud vallen, zijn wel bij de koper. De koper is dus houder van de spullen. Komt de koper zijn verplichtingen niet na (hij betaalt dus niet of niet meer), dan kan de verkoper de spullen terughalen. Hij doet dat als eigenaar en heeft daardoor een sterke positie. De spullen zullen door het gebruik in waarde verminderd zijn en de waardevermindering zal door de koper vergoed moeten worden. Dus als een koper het zover laat komen dat de verkoper gebruikmaakt van zijn recht, dan staat de koper met lege handen en zal hij ook nog een vergoeding moeten betalen.

Het eigendomsvoorbehoud vervalt als:

  • de hele koopsom betaald is;

  • de koper de spullen doorverkoopt aan een bezitter te goeder trouw;

  • er natrekking natrekking plaatsvindt.

In de laatste twee situaties is het eigendomsvoorbehoud weliswaar vervallen, maar de koper blijft verplicht te betalen. Doet hij dit niet, dan kan de verkoper op basis van wanprestatie naar de rechter gaan.

Pandrecht

Pandrecht is een zekerheidsrecht, waarbij een roerende zaak als zekerheid (onderpand) dient voor de nakoming van een schuld.

Stel dat je geld wilt lenen van iemand. Je wordt het eens over het moment van de terugbetaling (al dan niet met een rentevergoeding). Jouw crediteur weet natuurlijk nooit helemaal zeker of jij de afspraken nakomt. Hij kan dan een zekerheid vragen in de vorm van een onderpand. Bijvoorbeeld jouw auto. Als jij nu je afspraken niet nakomt, heeft hij jouw auto als onderpand en kan hij met de opbrengst uit de verkoop (van jouw auto) zijn geld terugkrijgen.

Een auto kan dienen als onderpand.

Het pandrecht is een absoluut recht. Dus iedereen heeft dat recht te respecteren en kan tegen iedereen worden ingeroepen. De crediteur heet pandhouder en de debiteur heet pandgever.

Economie bloeit, net als de lommerd

DEN HAAG - Nederland telt twee gemeentelijke pandjeshuizen, in Amsterdam en in Den Haag. Het loopt er storm. Met als gevolg dat er weer lommerds op commerciële basis opduiken.

Het is een prachtig collier, bezet met tientallen diamantjes, afgewisseld met bloedrode robijnen. ‘De eigenaar heeft er vierduizend euro voor gekregen’, zegt een taxateur van het Haags Pandhuis. ‘Bij de juwelier betaal je voor zoiets al snel veertigduizend euro.’

De relatief lage vergoeding komt doordat het Pandhuis de dagwaarde van de juwelen of de prijs per gram goud of zilver betaalt. Gemiddeld gaat het om sieraden die zo’n 240 euro waard zijn. Toch staan mensen daar letterlijk voor in de rij. Het kabinet-Balkenende zegt dat het een stuk beter gaat met de economie, maar Jan van der Hulst, hoofd kredietverlening van de gemeentelijke kredietbank (waar het Pandhuis onder valt) merkt daar nog niets van. ‘Het Pandhuis is wegens verbouwing een maand dicht geweest, dus dat verklaart een deel van de drukte’, zegt hij. ‘Naar andere redenen blijft het raden.’ Sinds de heropening enkele weken geleden, stonden er dagelijks ongeveer driehonderd klanten op de stoep. ‘We hebben echt mensen weg moeten sturen, omdat we de werkdruk niet aan konden’, vertelt Van der Hulst. ‘Er zijn dranghekken geplaatst en extra bewakers ingehuurd. Daarnaast hebben we op tijdelijke basis twee extra taxateurs aangenomen.’

Het Haags Pandhuis is samen met het pandhuis in Amsterdam de enige gemeentelijke lommerd die Nederland nog rijk is. In Den Haag is de instelling circa 330 jaar geleden opgericht omdat de Lombarden (Italianen) de bezittingen van burgers wel wilden verpanden, maar een belachelijk hoge rente vroegen als ze hun spullen weer terug kwamen kopen. Van der Hulst: ‘En dus gingen mensen meer en meer lenen om de woekerrentes te kunnen betalen.’ Het gemeentebestuur greep in door de wet te veranderen en zelf lommerds op te richten die tegen een normale rente leningen konden geven. ‘Als onderpand konden mensen hun schoenen of hun zondagse pak achterlaten. En als het salaris op vrijdag werd uitbetaald, konden ze het weer terugkopen en op zondag toch nog in hun goeie kleren naar de kerk gaan.’

Nu accepteert het Pandhuis alleen nog goud, zilver en diamanten. De klant komt voor een keurig loket te staan waar, achter kogelvrij glas, een taxateur de sieraden weegt en test of het edelmetaal echt is. Daarna zegt hij hoeveel het Pandhuis ervoor wil geven en volgt er nog wat papierwerk.

De sieraden worden vervolgens in plastic doosjes gestopt en in een kluis bewaard. ‘De eigenaar heeft zes maanden de tijd om het weer af te komen halen’, legt Van der Hulst uit. ‘In 95 procent van de gevallen gebeurt dat ook.’

Die laatste 5 procent wordt uiteindelijk geveild. En als daar winst wordt gemaakt, gaat de winst gewoon naar de oorspronkelijke eigenaar.

‘Wij zijn als gemeentelijke instelling natuurlijk niet uit op winst’, zegt Van der Hulst. ‘Mensen die hier komen, zitten meestal in een moeilijke situatie en hebben acute geldnood. Anders breng je het horloge van opa of die ketting van oma niet weg.’ Hij is licht bezorgd over de commerciële alternatieven die overal opkomen, met name in de steden waar geen gemeentelijk pandhuis is. Van der Hulst: ‘Daar lijken de tijden van de Lombarden weer te herleven. Bij een commerciële lommerd kun je ook je auto, je boormachine of je mobieltje afgeven als onderpand. Je krijgt er weinig voor, maar er wordt zoveel rente voor de lening gevraagd, dat het moeilijk wordt om het onderpand terug te halen.’

Bron: De Volkskrant 22 augustus 2006

De basis voor het vestigen van pandrecht is het bestaan van een schuld. Op het moment dat de schuld betaald is, vervalt het pandrecht automatisch.

Om meer zekerheid te krijgen dat de debiteur aan zijn verplichtingen zal voldoen, wordt een roerende zaak van de debiteur aangewezen om openbaar verkocht te worden bij wanbetaling. Uit de opbrengst van de verkoop worden de openstaande schuld en de gemaakte verkoopkosten betaald. De verkoop moet wel via een openbare veiling gebeuren. Dit om een zo hoog mogelijke opbrengst proberen te krijgen. Als de pandhouder overgaat tot openbare verkoop noemen wij dit het uitoefenen van zijn verhaalsrecht.

Het is een regel van dwingend recht dat de pandhouder niet mag afspreken dat het onderpand automatisch van hem wordt als de pandgever niet betaalt. Dit staat bekend als het verbod tot het maken van een vervalbeding. De pandhouder zou namelijk misbruik van de positie van de pandgever kunnen maken. De pandgever heeft immers op een of andere manier geld nodig en is daardoor in een afhankelijke positie terechtgekomen. De pandhouder zou in de verleiding kunnen komen om iets heel kostbaars als onderpand te willen, terwijl hij weet dat de pandhouder toch niet zal kunnen betalen. Loopt het dan mis, dan zou de pandhouder iets heel kostbaars voor een gering bedrag hebben.

De pandhouder mag wel met de pandgever afspreken dat hij het onderpand van de pandgever mag kopen in geval van wanbetaling. Omdat partijen het dan eens moeten worden over de prijs, is de positie van de pandgever gelijkwaardig aan de positie van de pandhouder. De pandgever kan altijd beslissen dat de koop niet doorgaat en dat het onderpand dan maar via een veiling verkocht moet worden.

De pandhouder (crediteur) bepaalt zelf of hij een roerende zaak als onderpand accepteert. Als het onderpand bij openbare verkoop te weinig opbrengt, moet de pandhouder alsnog via de rechter proberen zijn geld te krijgen. Daarom accepteert een pandhouder normaal gesproken alleen maar een onderpand dat aanzienlijk meer waard is dan de hoogte van de schuld. Bekend is immers dat bij verkoop op een veiling de opbrengst vaak tegenvalt en bovendien zijn er natuurlijk de veilingkosten. De veilingkosten moeten in eerste instantie betaald worden door de persoon die opdracht tot de veiling heeft gegeven. Dat is de pandhouder. Brengt de veiling meer op dan de schuld en de kosten, dan is het restant bedrag voor de pandgever.

De pandhouder mag, nadat de pandgever in verzuim is, overgaan tot openbare verkoop, zonder toestemming aan de rechter te hoeven vragen. Dit heet het recht van parate executie. Eigenlijk is dit dus een uitzondering op het beginsel dat je geen eigenrichting mag toepassen. Dit recht is heel belangrijk voor de pandhouder, want bij wanbetaling door de pandgever hoeft hij niet eerst een langdurige juridische procedure te beginnen. Nu hoeft hij alleen maar drie dagen voor de openbare verkoop aan de pandgever mee te delen dat er overgegaan wordt tot verkoop.

We kennen twee soorten pandrecht:

  1. vuistpand;

  2. bezitloos pandrecht.

Vuistpand

Vaak zal het onderpand bij de pandhouder zijn, maar dat hoeft niet altijd. Het kan ook zijn dat het onderpand elders (bijvoorbeeld bij de bank) is ondergebracht.

Stel je geeft een kostbaar juweel als onderpand voor een schuld. Je wilt wel dat het juweel goed wordt opgeborgen. De bank is dan misschien wel de meest aangewezen plaats om het juweel veilig op te bergen.

Een onderpand kun je, als pandhouder, ook elders (bijvoorbeeld bij de bank) opbergen.

Duidelijk is in elk geval dat bij vuistpand de pandgever niet meer over het onderpand kan beschikken. Dit om te voorkomen dat het onderpand ‘kwijtraakt’ en de pandhouder geen zekerheid meer heeft bij wanbetaling door de pandgever.

Vuistpand hoeft niet op papier te staan om geldig te zijn. Dit is wel verstandig, omdat anders problemen kunnen ontstaan over wie de eigenaar is van het onderpand. Een kwaadwillende pandhouder zou kunnen zeggen dat hij eigenaar is van de roerende zaak en de pandgever moet dan maar bewijzen dat dat niet zo is.

Wijn belenen in Parijse lommerd

Parijzenaars kunnen sinds kort bij de gemeentelijke bank van lening hun wijnen in onderpand geven.

‘Het is veel discreter om een paar flessen wijn uit uw kelder te pakken dan een schilderij van de muur te halen of een ketting van uw vrouw mee te nemen. De buren en uw schoonmoeder zullen het niet opmerken,’ zegt Bernard Candiard, hoofd van Crédit Municipal, de gemeentelijke Parijse lommerd, in The Times. Daar lijken de Parijzenaars ook zo over te denken, want binnen 48 uur ontving de bank van lening meer dan 200 flessen met een totale waarde van 45.000 euro. De klanten krijgen de helft van de waarde uitgekeerd. Betalen ze het bedrag niet binnen een jaar terug, dan worden de wijn verkocht.

[DOMElement clippingsubtitle]

Onder de ingebrachte wijnen, die door een expert worden beoordeeld, bevinden zich bijvoorbeeld een fles Petrus uit 1961, met een richtprijs van rond de 8000 euro, maar ook een Pomerol van 40 euro. De gemeentelijke bank van lening wil met deze noviteit, waarvoor zij een kelder met een constante temperatuur van 12 à 13 graden tot haar beschikking heeft, meer mannen als klant aantrekken. Ook hoopt men zo op meer variëteit in het aanbod van in te brengen goederen. Dat zijn nu vooral sieraden, horloges, schilderijen en bontjassen.

Bron: Zestz 2008

De pandhouder moet goed voor het onderpand zorgen en mag het niet zelf gebruiken. Als de pandhouder niet aan deze verplichtingen voldoet, kan de pandgever de rechter verzoeken om het pandrecht vervallen te verklaren. Dit betekent overigens niet dat de schuld dan ook vervallen is. De schuld blijft gewoon bestaan, alleen heeft de crediteur geen zekerheid meer.

De pandhouder die kosten moet maken (bijvoorbeeld bewaarloon of verzekering ) heeft recht op teruggave van die kosten door de pandgever. Hij kan hiervoor zelfs eventueel het recht van retentie inroepen.

Als je je auto als onderpand geeft voor een schuld, dan moet de pandhouder goed voor de auto zorgen. Dit kan inhouden dat de auto in een garagebox gestald gaat worden. De huur van de garagebox zal door de pandgever betaald moeten worden. Als de pandgever de schuld komt voldoen, vervalt het pandrecht. Maar als de pandgever de huur van de garagebox niet wil betalen, betekent dit dat de pandhouder het recht van retentie op de auto mag uitoefenen. De (voormalige) pandhouder mag dan niet overgaan tot openbare verkoop, maar hoeft de auto niet terug te geven. Blijft de pandgever onwillig om de huur te vergoeden, dan zal de (voormalige) pandhouder naar de rechter moeten stappen. Hij mag in dat geval de auto niet verkopen zonder toestemming van de rechter (parate executie), omdat hij geen pandhouder meer is. Immers de schuld aangaande het pand was betaald en er is alleen nog maar sprake van een huurschuld.

Het kan voorkomen dat meerdere roerende zaken als zekerheid worden gegeven bij het vestigen van pandrecht. De schuld is zo groot dat je zowel jouw auto als de auto van je echtgenoot als onderpand geeft. Nu is het niet zo dat je een van de auto’s terug kunt eisen, als bijvoorbeeld de helft van de schuld betaald is. Het pandrecht is ondeelbaar. Dit betekent dat je pas recht hebt op teruggave van alle onderpanden als de hele schuld voldaan is.

Pandhuispand

Een bijzondere vorm van vuistpand is het pandhuispand. Deze vorm van spullen verpanden staat ook wel bekend als lommerd of de bank van lening. Mensen gingen vroeger vaak als ze geld nodig hadden naar het pandhuis en gaven iets kostbaars als zekerheid voor een lening. Als bewijs kregen zij een briefje (lommerdbriefje) waarop stond wat ze bij de bank hadden ingeleverd in ruil voor een lening. De looptijd van de lening is maximaal zes maanden. Als je na die zes maanden de lening en de rente daarover niet aflost, ben je het onderpand kwijt aan de bank. De bank mag in dit geval wel het onderpand houden.

Het pandhuis was in de eerste helft van de vorige eeuw nogal populair bij de bevolking, maar met de toegenomen welvaart nam de belangstelling af. De laatste jaren is er weer een opleving omdat in de landen rond de Middellandse Zee het pandhuis een normaal verschijnsel is. Veel allochtone bewoners in de grote steden hebben de weg gevonden naar het pandhuis.

Ook op internet vind je verschillende pandhuizen.

Bezitloos pandrecht

Van bezitloos pandrecht is sprake als het onderpand bij de pandgever blijft. Dit wordt vooral toegepast als er pandrecht wordt gevestigd op inventaris en/of voorraad. Zou je in deze situatie voor vuistpand kiezen, dan moet de inventaris het bedrijf uit en is er geen voorraad aanwezig in het bedrijf. In de horeca wordt natuurlijk altijd gekozen voor bezitloos pandrecht als de inventaris als zekerheid moet dienen.

Het grote probleem voor de pandhouder is dat de spullen waar het bezitloze pandrecht op gevestigd is intussen kunnen verdwijnen.

Voor het vestigen van bezitloos pandrecht moet een notariële of onderhandse akte opgesteld worden. Onderhands betekent dat partijen zelf, zonder tussenkomst van een notaris, een akte opstellen (de overeenkomst dus op papier zetten).

De onderhandse akte moet vervolgens geregistreerd worden bij de afdeling successie en registratie van de Belastingdienst. Het enige wat de Belastingdienst doet, is de datum van de pandovereenkomst vermelden. Daarmee staat officieel vast wanneer de pandovereenkomst gesloten is. Bij een notariële akte hoeft er geen registratie te zijn, want de datum staat vast door de handtekening van de notaris.

Het belang van de datum is het volgende. Omdat de spullen bij de pandgever blijven en je niet aan spullen kunt zien of ze al verpand zijn, kan de pandgever de spullen voor een tweede keer (aan een ander) verpanden (hier ontstaat dan een tweede pandhouder). Als de pandgever vervolgens niet meer betaalt, kan de eerste pandhouder bewijzen dat hij eerder een pandovereenkomst met de pandgever had gesloten en dus een ouder recht heeft. Dit oudere recht gaat dan voor het latere pandrecht.

De pandgever moet in de schriftelijke pandovereenkomst wel verklaren dat hij bevoegd was tot verpanding. Blijkt achteraf dat hij niet bevoegd was (omdat er bijvoorbeeld al een pandrecht op gevestigd was of de spullen waren aan hem onder eigendomsvoorbehoud verkocht) dan blijft het pandrecht bestaan. We gaan er dan wel van uit dat de pandhouder te goeder trouw was en dus niet wist dat er eigendomsvoorbehoud was gevestigd op het onderpand. Wel kan de pandgever dan vervolgd worden wegens valsheid in geschrifte.

Als de pandhouder vermoedt dat de pandgever niet aan zijn verplichtingen gaat voldoen, heeft hij altijd het recht om het bezitloze pandrecht om te zetten in vuistpand. Daarmee heeft hij meer zekerheid, omdat het onderpand dan in elk geval uit de macht van de pandgever gebracht is en het niet meer kan verdwijnen. Als de pandhouder hiertoe overgaat, moet hij wel te goeder trouw zijn. Het voordeel voor de pandhouder van de omzetting is bovendien dat hij bij wanbetaling mag overgaan tot openbare verkoop, zelfs als er een eerdere (vroegere) bezitloze pandhouder is. Dit is dus een afwijking van de regel dat een ouder recht voor een later (jonger) recht gaat. In het volgende voorbeeld is er geen sprake van goede trouw van de pandhouder.

Stel dat de pandgever bezitloos pandrecht heeft gevestigd op een kostbaar schilderij. Het schilderij hangt dus nog bij de pandgever thuis aan de muur. Als de pandhouder er op een gegeven moment achter komt dat het schilderij enige tijd geleden gestolen is uit een museum, dan is er een probleem. Als het museum het schilderij bij de pandgever opeist, is de pandhouder de zekerheid kwijt. Door nu het bezitloze pandrecht om te zetten in vuistpand, zou hij zijn zekerheid veilig kunnen stellen. Omdat hij weet dat het om een gestolen zaak gaat, is hij niet te goeder trouw bij omzetting naar vuistpand en krijgt het museum het schilderij terug. Had de pandhouder niet geweten dat het om een gestolen schilderij ging, dan ligt het anders. Eist het museum binnen drie jaar na de diefstal het schilderij bij de pandhouder terug, dan moet de pandhouder het schilderij afstaan. Is er sprake van een langere termijn dan drie jaar na de diefstal, dan krijgt het museum het schilderij pas terug als de schuld betaald is.

Hypotheekrecht

Hypotheekrecht is een zekerheidsrecht, waarbij een registergoed (bijvoorbeeld een huis) als zekerheid dient voor de nakoming van een schuld. De schuld is een geldlening die meestal door een bank verstrekt wordt. Deze lening heeft meestal een looptijd van 20 of 30 jaar. Zo’n lening wordt dan ook een hypothecaire lening genoemd. Het is niet wettelijk voorgeschreven dat alleen banken een hypothecaire lening kunnen verstrekken. Ook andere instellingen of zelfs privépersonen kunnen zo’n lening verstrekken.

Hypotheek is een absoluut recht en dat heeft als gevolg dat iedereen dat recht heeft te respecteren en dat het recht dus tegenover iedereen kan worden ingeroepen. Dus ook als het registergoed wordt verkocht en geleverd zonder dat het hypotheekrecht wordt beëindigd. De opvolgende eigenaar heeft in dat geval een registergoed gekocht dat als zekerheid dient voor de schuld van de vorige eigenaar.

De basis voor het hypotheekrecht is een schuld. Op het moment dat de schuld is afbetaald, is het hypotheekrecht (zekerheidstelling) beëindigd.

De schuldeiser heet hypotheekhouder en de schuldenaar heet hypotheekgever. De benaming levert vaak verwarring op in het spraakgebruik, maar wijkt niet af van de benaming bij het pandrecht. Als je bedenkt dat de schuldenaar een zekerheid geeft, is daarmee de naam hypotheekgever onlosmakelijk verbonden met de schuldenaar.

Halal-hypotheek afgekeurd

Een onzer verslaggevers
AMSTERDAM - De Belastingdienst heeft de zogeheten halal-hypotheek afgekeurd. Deze renteloze hypotheek was bedoeld voor moslims die vanwege hun geloofsovertuiging geen rente mogen betalen. De rente zou daarom worden vervangen door een winstopslag, maar mag om die reden van de Belastingdienst niet worden opgevoerd als hypotheekrenteaftrek.

Omdat de woningfinanciering hierdoor te duur wordt, heeft de islamitische financiële instelling Bilaa-Riba besloten haar deuren te sluiten. „We hebben ons product twee keer aangepast voor de Belastingdienst, maar die blijft van mening dat de hypotheekrenteaftrek niet van toepassing is op onze hypotheek”, aldus de teleurgestelde woordvoerster Hakima Dini.

„Sinds we drie jaar geleden het idee voor de halal-hypotheek introduceerden, hebben we duizenden informatie-aanvragen gekregen. Helaas kunnen we deze mensen nu niet aan een goede woonfinanciering helpen.”

De Belastingdienst krijgt dagelijks van financiële instellingen producten voorgelegd om die te toetsen aan de wet en wil niet reageren op individuele zaken.

Driekwart van de moslims die nu een huis huren, zouden een woning willen kopen als er een hypotheek beschikbaar is die voldoet aan de regels van de Koran. De essentie van de halal-hypotheek is dat investeerders of moslimfondsen een huis kopen, om dat vervolgens met winst door te verkopen aan de klant. Die betaalt het hogere bedrag in termijnen terug, zonder rente. Volgens de Koran is het geen zonde om winst te maken, maar wel om die op te strijken in de vorm van rente.

In 2006 pleitte de VVD voor de komst van een halal-hypotheek, minister Bos (Financiën) zei vorig jaar toe de mogelijkheden voor islamitisch bankieren te onderzoeken.

Bron: De Telegraaf 23 jul 2008

Vestiging van het hypotheekrecht

Het is een regel van dwingend recht dat een hypotheekrecht op onroerende zaken moet worden gevestigd door het opmaken van een notariële akte en inschrijving daarvan in het hypotheekregister. Dus ook als een particulier persoon een hypothecaire lening verstrekt aan een ander moet dit via de notaris lopen. De notaris verzorgt dan de inschrijving in het hypotheekregister. Dit openbare hypotheekregister vinden we bij het kadaster. In het hypotheekregister staan ook alle andere gegevens van de onroerende zaak (wie de eigenaar is, hoe en wanneer de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden, de oppervlakte et cetera). Na beëindiging van het hypotheekrecht vindt er doorhaling in het hypotheekregister plaats. Deze doorhaling heet royement en wordt gedaan door de hypotheekbewaarder.

Hypotheekrecht kan ook op schepen en vliegtuigen worden gevestigd. De hiervoor opgemaakte notariële akte wordt vervolgens ingeschreven in het scheepvaartregister of luchtvaartregister.

Hier vind je het hypotheekregister.

De hypotheekhouder mag in geval van wanbetaling overgaan tot openbare verkoop van het registergoed (verhaalsrecht van de hypotheekhouder). De wet geeft hiermee de hypotheekhouder de zekerheid dat de hypotheekgever zijn schuld betaalt. Om dit verhaalsrecht snel uit te kunnen oefenen, heeft de hypotheekhouder, net als de pandhouder, het recht van parate executie.

De hypotheekhouder kan aan de rechter toestemming vragen om niet openbaar maar onderhands (dus niet openbaar) te mogen verkopen. De hypotheekhouder zou hiervoor kunnen kiezen als hij al een gegadigde weet en daardoor de kosten van de openbare verkoop niet hoeft te maken. De rechter zal hier alleen toestemming voor geven als de belangen van de hypotheekgever niet geschaad worden. Dit betekent in de praktijk dat de opbrengst in dat geval minstens net zo veel moet zijn als de geschatte veilingopbrengst.

Omdat openbare verkoop via een veiling meestal minder opbrengt dan onderhandse verkoop, zullen de hypotheekbanken een lagere lening verstrekken dan de waarde van het registergoed. Bij bestaande woningen is een vuistregel dat je een lening van 70% van de waarde van die woning kunt krijgen. Of je de lening krijgt, is natuurlijk ook afhankelijk van je inkomen. De bank heeft er alle belang bij dat jij de lening met rente terugbetaalt en zit niet te wachten op een gedwongen verkoop. Vaak zal de lening gebruikt worden om de aankoop van het registergoed te financieren. Het geld mag natuurlijk ook voor iets anders gebruikt worden (verbouwing, wereldreis, studie et cetera).Voor de hypotheekhouder telt alleen de waarde van de zekerheid en de inkomenssituatie van de hypotheekgever.

Normaal gesproken stijgt de waarde van een gebouw in de loop der jaren. Dat betekent dat de hypotheekhouder een steeds groter wordende zekerheid krijgt. De opbrengst zal door de waardestijging hoger zijn en de aflossing van de lening zal dan geen enkel probleem gaan opleveren. Er blijft steeds meer geld voor de hypotheekgever over. Die hogere verwachte verkoopwaarde kan ertoe leiden dat de hypotheekgever nog een hypothecaire lening afsluit met hetzelfde registergoed als zekerheid. Hij hoeft dat niet bij zijn eerste hypotheekhouder te doen, maar kan ook naar een ander gaan. De volgende hypotheekhouder kan in het hypotheek register zien of er al een hypotheek rust op het registergoed en voor welk bedrag. De tweede hypotheekhouder zal ook weer de (over)waarde van het registergoed en het inkomen van de hypotheekgever beoordelen. In principe is er geen limiet aan het aantal hypotheken op een registergoed. Mocht er nu op een gegeven moment toch sprake zijn van een gedwongen openbare verkoop, dan zal de eerste hypotheekhouder als eerste zijn geld krijgen en daarna de tweede et cetera.

Als voor de zekerheid tot nakoming van een schuld meerdere onroerende zaken met het hypotheekrecht worden belast, dan geldt ook hierbij dat het hypotheekrecht ondeelbaar is. Dit betekent dus dat pas als de gehele schuld is afgelost de zekerheidstelling van de onroerende zaken vervalt. Dus het is niet zo dat na afbetaling van de helft van de hypothecaire schuld, ook de helft van de onroerende zaken vrij van hypotheek is.

Anders dan bij vuistpand is bij het hypotheekrecht geen sprake van het recht van retentie. Immers de zekerheid is niet bij de hypotheekhouder en hij kan en hoeft dus ook geen kosten maken om de zekerheid (registergoed) te beschermen.

Hypotheekbedingen

Juist omdat de zekerheid niet in de macht van de hypotheekhouder is, zal de hypotheekhouder extra maatregelen nemen om de waarde van de zekerheid te beschermen. Hij heeft daar alle belang bij, want bij openbare verkoop zal hij een zo hoog mogelijke opbrengst willen. Hoe hoger de opbrengst is, des te zekerder is hij van terugbetaling van de hypothecaire schuld.

Daarom maakt de hypotheekhouder speciale afspraken (bedingen) in de hypotheekakte. Deze hypotheekbedingen worden ook ingeschreven in het hypotheekregister, zodat iedereen die er belang bij heeft ook van deze bedingen op de hoogte kan zijn.

We kennen de volgende hypotheekbedingen:

  1. verwaarlozingsbeding;

  2. huurbeding;

  3. assurantiebeding.

Verwaarloosbeding

In dit beding is vastgelegd dat de hypotheekhouder mag ingrijpen als de zekerheid ernstig verwaarloosd wordt. Door de ernstige verwaarlozing gaat de waarde achteruit en bij gedwongen openbare verkoop zou de zekerheid wel eens minder kunnen gaan opbrengen dan de hypotheekschuld. Het ingrijpen houdt in dat op kosten van de hypotheekgever de zekerheid hersteld mag gaan worden.

Huurbeding

Dit beding verbiedt de hypotheekgever om de onroerende zaak (in dit geval de woning) te verhuren. Door verhuur van een woning treedt immers de regel ‘koop breekt geen huur’ in werking. Als de woning nu verhuurd is en de hypotheekgever komt zijn verplichtingen van de hypothecaire lening niet na, wordt de woning verkocht met een lopend huurcontract. Een dergelijke woning zal erg weinig opbrengen, want de koper kan vooralsnog niet in de woning gaan wonen. De huurder heeft immers huurbescherming. Maar omdat dit beding is ingeschreven in het hypotheekregister stelt de rechter zich bij gedwongen openbare verkoop van de woning op het standpunt dat de huurder dit had kunnen weten. De huurder zal dan de woning moeten ontruimen.

Assurantiebeding

Als de zekerheid afbrandt of op een andere manier verloren gaat, is de hypotheekhouder de zekerheid kwijt. Hij zal daarom van de hypotheekgever eisen, dat hij het registergoed verzekert tegen brand en andere calamiteiten. Als de verzekering tot uitkering moet overgaan, heeft de hypotheekhouder een wettelijk pandrecht op de verzekeringsuitkering. Is de verzekeringsuitkering meer dan de hoogte van de hypothecaire schuld, dan moet de hypotheekhouder het restant aan de hypotheekgever teruggeven.

Samenvatting Pand- en Hypotheekrecht ↑Naar boven

Rechten van de pandhouder:

  1. recht op betaling van de schuld en rente;

  2. verhaalsrecht;

  3. recht van parate executie;

  4. recht van retentie;

  5. recht tot omzetting van bezitloos pandrecht naar vuistpand;

  6. ondeelbaarheid van het pandrecht.

Tenietgaan van het pandrecht:

  1. betaling van de schuld;

  2. uitoefenen van het verhaalsrecht;

  3. tenietgaan van het onderpand (schuld blijft bestaan);

  4. vrijwillige teruggave van het onderpand (schuld blijft bestaan);

  5. vervallenverklaring door de rechter (schuld blijft bestaan);

  6. schuld van de pandgever en pandhouder komen in één hand (door erfenis of huwelijk).

Rechten van de hypotheekhouder:

  1. recht op terugbetaling van de schuld en van de rente;

  2. verhaalsrecht bij wanprestatie van de hypotheekgever;

  3. recht van parate executie;

  4. ondeelbaarheid van het hypotheekrecht.

Tenietgaan van het hypotheekrecht:

  1. afbetaling van de schuld;

  2. uitoefening van het verhaalsrecht;

  3. tenietgaan van de zekerheid (omzetting naar pandrecht op de verzekeringsuitkering);

  4. vrijwillige afstand van de hypotheekhouder van zijn zekerheidsrecht;

  5. schuld van de hypotheekhouder en de hypotheekgever komt in één hand (bijvoorbeeld door erfenis of huwelijk).

Verschillen tussen pandrecht en hypotheekrecht:

  1. Pandrecht wordt gevestigd op roerende zaken; hypotheekrecht wordt gevestigd op registerzaken.

  2. Vuistpand op roerende zaken wordt gevestigd door overhandiging; bezitloos pandrecht op roerende zaken wordt gevestigd door het opmaken van een notariële akte of door een onderhandse akte die geregistreerd wordt. Hypotheekrecht wordt gevestigd door het opmaken van een notariële akte en inschrijving daarvan in het daarvoor bestemde register.

  3. Er is geen openbaar register bij het pandrecht maar wel bij het hypotheekrecht.

  4. Bij vuistpand heeft de pandhouder in het voorkomende geval het recht van retentie; bij het hypotheekrecht is recht van retentie niet mogelijk.

 

 

In samenwerking met het

© Noordhoff Uitgevers bv