Mijn Passie

Log hier in met je Entree account

Inhoud

Inleiding

Het oudste nog bestaande restaurant-café in Nederland is ‘De Waag’ in Doesburg. Het stadsbierhuys is sinds 1478 in bedrijf en al die eeuwen wordt er alcoholhoudende drank verkocht. Voorschriften over verkoop van alcoholhoudende drank was vroeger een plaatselijke aangelegenheid. Pas sinds de tweede helft van de 19e eeuw is het verkopen van alcoholhoudende drank bij wet op landelijk niveau geregeld. Aanleiding daarvoor was de ernstige overlast die veroorzaakt werd door massale openbare dronkenschap.

De industriële revolutie (± 1870) had namelijk veel mensen naar de grote steden gelokt op zoek naar werk en ze leefden daar onder bijzonder slechte omstandigheden. De technische ontwikkelingen zorgden ervoor dat het distilleren van alcohol steeds goedkoper werd. De mensen 'dronken' de ellende weg. Veelvuldig alcoholmisbruik was het gevolg en de overlast door openbare dronkenschap nam onaanvaardbare vormen aan.

Alcoholmisbruik, bijvoorbeeld onder jongeren, komt ook nu nog voor.

Deze theorie gaat over:

  • De Drank- en Horecawet.

Drank- en Horecawet (DHW) ↑Naar boven

De eerste Drankwet van 1881 werd opgesteld om een halt toe te roepen aan die ongewenste toestanden. De titel van de wet was veelzeggend: ‘De regeling van den kleinhandel in sterke drank en de beteugeling van de openbare dronkenschap.’ In de wet werd geregeld dat er een vergunning nodig was voor de verkoop van sterke drank waardoor het aantal verkooppunten voor sterke drank aan banden werd gelegd. Er werd het zogenaamde maximumstelsel ingevoerd. Dat inhield dat het aantal vergunningen per gemeente gekoppeld was aan het aantal inwoners van die gemeente.

Al snel kwam men erachter dat de wet niet het gewenste effect opleverde. De voornaamste oorzaak was dat de verkoop van zwakalcoholische drank niet aan een vergunning gebonden was. Bovendien werd in de talloze bierhuizen de sterke drank ‘onder de toonbank’ (illegaal) verkocht.

Men besloot tot een aanpassing van de wet en in 1904 werd de tweede Drankwet ingevoerd. De belangrijkste wijzigingen waren:

  • invoering van een vergunningenstelsel voor zwakalcoholische drank. Hiervoor werd echter geen maximumstelsel ingevoerd;

  • invoering van (bouwtechnische) eisen waaraan de inrichting van een horecabedrijf moest voldoen. Hierbij moet je denken aan algemene eisen bijvoorbeeld voor wat betreft de minimale hoogte en toetreding van voldoende daglicht in het horecabedrijf.

Ook de tweede Drankwet bracht niet het resultaat wat men ervan hoopte. Dus weer werd een aanpassing van de wet voorbereid en die leidde in 1934 tot de derde Drankwet.

In de wet werd een maximumstelsel voor zwakalcoholische drank opgenomen en bovendien werden er meerdere soorten vergunningen in het leven geroepen.

  • de volledige vergunning;

  • verlof A (tappen van zwakalcoholische drank);

  • verlof B (tappen van alcoholvrije drank).

Je hebt een tap- of slijtvergunning nodig hebt als je alcohol verstrekt of als je sterke drank slijt.

Het maximumstelsel het het gevolg dat het aantal vergunningen per gemeente vaststond. Daarnaast was het maximumstelsel niet ingesteld op de wet van vraag en aanbod. Toename van bijvoorbeeld het toerisme na de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte op bepaalde plaatsen meer vraag, maar het aanbod was door de wet beperkt. Ook het verbod tot verpachting of overname van vergunningen leverde problemen op bij overname van bedrijven. Ten slotte was het doel van de Drankwet, het op deze manier tegengaan van de openbare dronkenschap, een achterhaald gegeven.

Men besloot tot nieuwe wetgeving met als uitgangspunt de volksgezondheid. In 1967 werd de huidige Drank- en Horecawet (DHW) geïntroduceerd en de nieuwe wet verschilde op een groot aantal punten ten opzichte van de oude wetgeving.

  • Allereerst werd het maximumstelsel afgeschaft.

  • Ook het verlof A en B en de volledige vergunning behoorden tot het verleden.

  • In plaats daarvan kwamen vergunningen voor het schenken van alcoholhoudende drank (vergunning bedrijfsmatige horeca) en het verkopen (= slijten) van sterke drank. Zo'n vergunning heet een slijters- of slijterijvergunning.

  • Er worden strengere bouwtechnische eisen gesteld aan het pand waar de alcoholhoudende drank wordt verkocht (besluit inrichtingseisen).

  • Als de persoon en het bedrijfspand aan bepaalde wettelijke eisen voldoen, moet de gemeente een vergunning afgeven. De bij vele mensen bekende café-, restaurant- en slijterijdiploma’s dateren uit die tijd.

Vandaag wordt voor de horeca ook nog specifiek een verklaring sociale hygiëne vereist. Met de verklaring sociale hygiëne geeft een persoon aan dat hij beschikt over kennis van alcohol, drugs en gokverslaving. Zeker gezien het feit dat de volksgezondheid uitgangspunt is bij de DHW is deze eis voor de hand liggend.

Tijdens opening zal er altijd een personeelslid aanwezig moeten zijn die het certificaat behaald heeft.

Artikel 1 DHW (begrippen)

Enkele belangrijke begrippen uit de DHW zijn:

Horecaonderneming

Dit begrip is van belang omdat hiermee de horecaonderneming bedoeld wordt waar alcoholhoudende drank wordt geschonken. We spreken ook wel van tappen (ter plekke opdrinken) en voor tappen heb je een tapvergunning nodig. Het begrip tappen in de DHW is dus een ander begrip dan bedoeld wordt met het tappen van een biertje. Dan wordt bedoeld dat er een tapinstallatie aanwezig is. De DHW gebruikt de term tappen voor zowel het schenken van een biertje uit een flesje als het inschenken van een glas wijn.

De DHW gebruikt de term tappen voor zowel het schenken van een biertje uit een flesje als het inschenken van een glas wijn.

Alcoholhoudende drank

De wet spreekt van alcoholhoudende drank als er meer dan 0,5 procent alcohol in zit bij een temperatuur van meer dan 20 graden Celsius. Het verstrekken van alcoholhoudende drank valt onder de bepalingen van de DHW. Dit betekent dus aan de andere kant dat je voor het schenken van bijvoorbeeld maltbier met een alcoholpercentage van 0,5 geen vergunning nodig hebt!

Maltbier met een alcoholpercentage van 0,5 of minder valt niet onder de bepalingen van de DHW

Sterke drank

Dit is drank die voor 15 procent of meer uit alcohol bestaat. Ze mag geschonken en verkocht worden aan personen die ouder dan 18 zijn.

Zwakalcoholhoudende drank

Dit is alcoholhoudende drank met uitzondering van sterke drank. Het begrip zwakalcoholhoudende drank is van belang als het gaat om het verbod om aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar zwakalcoholhoudende drank te tappen (verkopen en ter plaatse opdrinken), en te slijten (verkopen en thuis opdrinken).

Inrichting

De plek waar de onderneming in gevestigd is, wordt lokaliteit genoemd. Een lokaliteit is een besloten ruimte. Het kan zijn dat de lokaliteit in een andere (besloten) ruimte zit. Denk maar aan het café in de schouwburg. Alleen een lokaliteit kan een tap- of een slijtvergunning toegewezen worden.

Een terras hoort bij de lokaliteit, zelfs als het aan de overkant van de weg of op het plein ligt waaraan het horecabedrijf gevestigd is. Dus als je een tapvergunning voor je horecabedrijf hebt, geldt die vergunning ook voor je terras. Het terras moet wel vanuit het horecabedrijf bediend worden. Je kunt geen tapvergunning alléén voor je terras krijgen, omdat een terras geen besloten ruimte is. Het kan dus niet zo zijn dat er een tap op het terras staat. Bovendien is het zo dat je speciaal een terrasvergunning moet hebben als je een terras bij je bedrijf exploiteert. Dus zonder terrasvergunning geen terras en zonder tapvergunning geen toestemming om alcohol op het terras te serveren.

Een terras hoort bij de inrichting, zelfs als het aan de overkant van de weg of op het plein ligt waaraan het horecabedrijf gevestigd is.

Leidinggevende

Dit is een belangrijk begrip in de DHW. Er moet altijd een leidinggevende aanwezig zijn als het bedrijf geopend is. De namen van de leidinggevenden worden op de vergunning vermeld, zodat bij controle duidelijk is of er aan het voorschrift van aanwezigheid wordt voldaan. Een leidinggevende zal aan eisen moeten voldoen:

  • hij moet handelingsbevoegd zijn;

  • hij moet minstens 21 jaar zijn.

De wet zegt dat niet alleen de eigenaar als leidinggevende wordt aangemerkt, maar ook de personen die met de algemene of dagelijkse leiding zijn belast. Vaak worden deze personen aangeduid als bedrijfsleider en beheerder. Op de vergunning staan een aantal namen van personen. Deze personen worden door de wet als leidinggevenden aangemerkt. Op momenten dat de onderneming open is, zal minstens een leidinggevende (die op de vergunning genoteerd staat) aanwezig moeten zijn. Deze persoon zal het certificaat sociale hygiëne 'behaald moeten hebben'.

Artikel 3 Vergunningplicht

Dit artikel is te beschouwen als het hart van de DHW. Kort en krachtig is geformuleerd dat je een tapvergunning nodig hebt als je alcohol verstrekt. Dat de vergunning door B en W wordt afgegeven is omdat zij het dagelijks bestuur van de gemeente vormen.

Artikel 4 en 5, paracommerciële instellingen

We kennen ze allemaal wel: een sportkantine, wijkgebouw, buurthuis waar je goedkoop je biertje kunt drinken. Dat de prijs lager is dan het reguliere café komt doordat er veel met vrijwilligers gewerkt wordt en gemeenten vaak de activiteiten in die gebouwen subsidiëren. Het is begrijpelijk dat de reguliere horeca dit als oneerlijke concurrentie ervaart. Een ander woord hiervoor is paracommercie. In de DHW hebben B en W de taak om bij afgifte van een tapvergunning aan een paracommerciële instelling extra voorwaarden te verbinden om oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Je moet dan denken aan beperking van de openingstijden, geen bruiloften en partijen en een verbod om reclame te maken om in die gebouwen bijeenkomsten te houden. Natuurlijk blijft het mogelijk om in speciale gevallen ontheffing te krijgen van die extra voorwaarden. Dus als het eerste elftal kampioen wordt en er een feest gehouden wordt, kan ontheffing verleend worden van de opgelegde sluitingstijd.

Wel is het zo dat de aanwezigheidseis van een leidinggevende op een andere manier wordt ingevuld. Bij de paracommerciële instellingen moet er een bestuursreglement zijn waarin aangegeven is aan welke eisen iemand moet voldoen om achter de bar te mogen staan. Naast een leeftijdseis zullen er ook kenniseisen (bijvoorbeeld over de gevolgen van alcohol) in opgenomen zijn.

Artikel 8 en 10, de vergunningeisen

Om een tap- of slijtvergunning te krijgen. moet je aan de volgende eisen voldoen.

  • Als leidinggevende moet je aan bepaalde moraliteitseisen voldoen (artikel 8 lid 2 en lid 3).

  • Als leidinggevende moet je aan bepaalde kenniseisen voldoen (artikel 8 lid 4).

  • De inrichting moet aan bepaalde eisen voldoen (artikel 10).

Als aan één (of meer) van de eisen niet voldaan wordt mag er geen vergunning worden afgegeven.

Moraliteitseisen

  • Artikel 8 lid 2a zegt dat je als leidinggevende niet onder curatele mag staan. In het hoofdstuk over familierecht is behandeld wanneer je onder curatele gesteld wordt en wat de juridische gevolgen daarvan zijn. In het artikel staat ook dat je niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet mag zijn. Dit betekent dat de wet iemand niet meer geschikt acht om als ouder of voogd op te treden. De wetgever vindt dit zo ernstig dat zo iemand ook niet geschikt kan zijn om als leidinggevende in de horeca werkzaam te zijn.

  • Artikel 8 lid 2b zegt dat je niet van slecht levensgedrag mag zijn. Vroeger was het zo dat je een bewijs van goed gedrag aan de burgemeester moest vragen. Tegenwoordig moet je een verklaring omtrent het gedrag (vog) hebben om aan deze eis te voldoen. De verklaring wordt door de gemeente afgegeven nadat ze inlichtingen heeft gevraagd bij de Justitiële Informatiedienst. Als uit het onderzoek blijkt dat er geen strafbare feiten bekend zijn over de aanvrager wordt de vog afgegeven. Als er wel sprake is van strafbare gedragingen beoordeelt een speciale commissie (centraal orgaan verklaring omtrent gedrag) of deze gedragingen van belang zijn voor het doel waarvoor de verklaring is aangevraagd. Zo zullen voor een boekhouder andere strafbare feiten meetellen dan voor een leraar.

  • De leeftijdseis van 21 jaar staat in artikel 8 lid 2c. Er is geen mogelijkheid meer om ontheffing van deze leeftijdseis te krijgen. De achterliggende gedachte van deze leeftijdsgrens is dat je als leidinggevende toch in voorkomende gevallen enig overwicht moet hebben.

  • Artikel 8 lid 3 verwijst naar het besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. In dit besluit worden nadere zedelijkheidseisen gesteld aan leidinggevenden. Zo mag je als bedrijfsleider of beheerder de afgelopen 5 jaar niet onherroepelijk veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf van meer dan 6 maanden.

Ook mag je in de laatste 5 jaar niet twee of meer keer veroordeeld zijn tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer vanwege bepaalde overtredingen. Voorbeelden zijn: Opiumwet (drugshandel), overtredingen van de DHW, Wegenverkeerswet (rijden onder invloed), Wet op de kansspelen (illegaal gokken).

Ook personen die als leidinggevenden werkzaam zijn geweest in een horecabedrijf dat langer dan een maand gesloten is geweest op bevel van de burgemeester, kunnen in principe niet meer aan de slag als leidinggevende.

Kenniseisen

Het enige diploma dat je nog nodig hebt om een drank- en horecavergunning aan te vragen, is de verklaring sociale hygiëne. In artikel 8 lid 4 wordt verwezen naar het besluit kennis en inzicht sociale hygiëne waarin aangegeven is wat je zoal moet weten. Uit het oogpunt van volksgezondheid - wat immers het uitgangspunt is van de DHW - is kennis van alcohol, drugs en gokverslaving van groot belang. In de horeca heeft men namelijk vaak te maken met deze problematiek.

Daarnaast wordt aandacht besteed aan bedrijfsformules, de DHW en andere regelgeving die verband houdt met alcohol. Horecaopleidingen, zoals BOL 4 en BOL 2, geven recht op de verklaring sociale hygiëne en anders zul je via zelfstudie of avondcursus dit diploma moeten halen.

Amateurisme nekt horeca

DEN HAAG - Een op de vijf gezinnen van horeca-ondernemers leeft onder de armoedegrens. Belangrijke oorzaak is de gebrekkige kennis van het starten en draaiende houden van een bedrijf, stellen deskundigen.

Uit de Armoedemonitor 2007 van het Centraal Cultureel Planbureau blijkt dat 22 procent van de horeca-ondernemers in stille armoede leeft, meer dan in enige andere branche. Alleen boerengezinnen komen met twintig procent in de buurt.

De droom van starters in de horeca loopt door geldproblemen veelal uit op een financiële en persoonlijke nachtmerrie. Gebrek aan zakelijke vaardigheden en opleiding is een belangrijk obstakel voor veel horeca-ondernemers. Zo blijkt het voeren van een boekhouding voor veel starters in de horeca te hoog gegrepen. "De meesten kennen hun winstcijfers niet, hun omzet niet en weten zelfs niet hoeveel ze moeten verdienen om uit de kosten te komen", zegt Joop Vendrik, eigenaar van een restaurant en adviseur bij de Horeca Ondernemers Academie.

Volgens Vendrik, die al zeven jaar horeca-ondernemers bijstaat die in de nesten dreigen te raken, gaat het vaak voor de start van het bedrijf al mis. Naïeve ondernemers stappen in een zaak die nooit rendabel kan worden. "Sommigen kunnen hun droom beter een droom laten, anders wordt het een nachtmerrie."

Danny Maas van Florijn Schuldhulpverlening in Gouda helpt jaarlijks 120 ondernemers bij het maken van een doorstart: "Iedereen kan een horecazaak beginnen, sinds in 2001 de vestigingseis is geschrapt. Het gaat veel te makkelijk: je betaalt een borgsom en de eerste maand huur en kunt beginnen. Naar een ondernemingsplan wordt niet gevraagd."

Maas en Vendrik pleiten voor herinvoering van een verplichte opleiding om beginnende ondernemers tegen zichzelf te beschermen.

Bron: De Stentor20 maart 2008

Inrichtingseisen (artikel 10)

Ook de ruimte waar de horeca-activiteit plaatsvindt, moet aan bepaalde eisen voldoen. In het ‘besluit eisen inrichtingen’ is het eerste gedeelte gewijd aan het horecabedrijf en het laatste gedeelte aan de slijterij. Omdat deze (meestal bouwtechnische) eisen zijn neergelegd in een AMvB, zijn in het hele land de eisen gelijk. Anders dan vroeger kunnen gemeenten, sinds de laatste wetswijziging, niet zelf meer eisen gaan stellen op dit gebied. In het hele land geldt nu bijvoorbeeld een minimale hoogte van 2,40 meter voor zowel horecabedrijven als slijterijen en een minimale oppervlakte van 35 m2 voor horecabedrijven en 15 m2 voor slijterijen. Ook bepalingen over mechanische ventilatie, aantal toiletten, elektriciteit zijn in dit besluit te vinden.

Natuurlijk zijn er ook nog andere wettelijke regelingen die eisen stellen aan de horeca-inrichting. Zo kun je denken aan eisen op grond van milieuwetgeving (stank- en geluidsoverlast) en eisen op grond van de gemeentelijke bouwverordening (veiligheid van het gebouw en brandveiligheid). Gemeentelijke bouwverordeningen kunnen per gemeente verschillen en dus kan het voorkomen dat bepaalde eisen op dit gebied in de ene gemeente strenger zijn dan de andere gemeente.

Wel maakt de wet (in artikel 46) een uitzondering op de afmetingseisen voor horecabedrijven en slijterijen die al vóór 30 september 1967 in gebruik waren. Het gaat hier om de zogenaamde ‘bruine cafés’. Deze bedrijven worden ook wel eens ‘huiskamercafés’ genoemd. Dit zijn bedrijven die volgens de huidige eisen te klein en/of te laag zijn. Deze bedrijven hebben een permanente ontheffing van de afmetingseisen en deze ontheffing blijft geldig als het bedrijf wordt overgedragen. De ontheffing vervalt wel als het bedrijf langer dan één jaar niet in bedrijf is geweest. De conclusie is dat je dus wel een dergelijk bedrijf kunt overnemen maar niet zelf kunt starten.

Dit zijn bedrijven die volgens de huidige eisen te klein en/of te laag zijn. Deze bedrijven hebben een permanente ontheffing van de afmetingseisen en deze ontheffing blijft geldig als het bedrijf wordt overgedragen.

Verbodsbepalingen (artikel 12 tot en met 25 DHW)

In de DHW is een groot aantal verboden opgenomen van handelingen die te maken hebben met het verstrekken van alcohol. Een aantal daarvan zal behandeld worden. Je moet wel bedenken dat in de praktijk een aantal van die verboden wordt overtreden zonder dat daar meteen actie op volgt. Dit heeft te maken met prioriteiten die gesteld worden bij opsporing van strafbare feiten en met gebrek aan mankracht. Vaak is het wel zo dat de controlerende instantie (Voedsel en Waren Autoriteit) snel in actie komt als er klachten binnenkomen of als er vermoedens zijn van bepaalde strafbare feiten. Daarnaast controleert de Voedsel en Waren Autoriteit steekproefsgewijze.

  • Verbod om tegelijkertijd te tappen en te slijten in één ruimte (artikel 13). Tot november 2000 was het mogelijk om van dit verbod ontheffing te krijgen, maar dat is nu niet meer mogelijk. Dus het café annex slijterij kan alleen nog maar als er sprake is van twee aparte ingangen. Het kopen van een kratje bier om mee te nemen mag dus niet in een café en het organiseren van proeverijen mag niet in een slijterij. De restaurantgast die een fles wijn wil kopen van de soort die hij net bij het eten gedronken heeft, zul je moeten teleurstellen. Het verkopen van een fles wijn die meegenomen wordt, is namelijk slijten. In het restaurant wordt getapt (ter plaatse nuttigen) en tappen en slijten in één ruimte is verboden

  • Verbod van detailhandel in horecalokaliteit (artikel 14 en 15). Dit betekent dat in de ruimte waar getapt wordt geen detailhandel mag plaatsvinden. Dus de verkoop van bijvoorbeeld T-shirts of cd’s van de plaatselijke band is niet toegestaan. Zelfs de verkoop van sigaretten in de horecalokaliteit is formeel verboden. Daarom zie je meestal een sigarettenautomaat in de gang staan. Het nadeel hiervan is dat er geen toezicht is op de leeftijd van de koper. Daarom wordt de automaat binnen in de lokaliteit gedoogd. Ook de spullen die je bij het bekende hardrockcafé kunt kopen, zijn vanwege het detailhandelverbod in een aparte ruimte verkrijgbaar. De reden voor dit verbod is dat de wetgever wil voorkomen dat het publiek bij het kopen van andere spullen in de verleiding komt om alcohol te consumeren. De enige uitzondering op het verbod betreft de verkoop van damesverband en condooms.

    In de ruimte waar getapt wordt, mag geen detailhandel plaatsvinden.

  • Verbod op drankautomaten (artikel 16). Als je eisen stelt aan de persoon die alcohol verstrekt, dan zou verkoop van alcoholische drank via een automaat die eisen kunnen omzeilen. Ook is er dan geen toezicht mogelijk op wie dan alcohol koopt. Dat zijn de redenen om dit verbod op te nemen. De uitzondering op dit verbod geldt de minibar op de hotelkamer. Men gaat ervan uit dat een persoon die een hotelkamer huurt toch wel minstens 18 jaar is.

  • Verbod van verkoop van alcohol in niet-levensmiddelenwinkels (artikel 18 en 22). De slijterij heeft al het alleenrecht op de verkoop van sterke drank (zie artikel 1). Uitgangspunt van artikel 18 is dat zwakalcoholische drank ook bij een slijterij verkocht wordt. Toch maakt de DHW het ook mogelijk voor levensmiddelenwinkels, bierwinkels, wijnwinkels (vinotheek) en delicatessenwinkels om zwakalcoholische drank in het assortiment op te nemen. Ook cafetaria’s, shoarmazaken, afhaalpizzeria’s mogen zwakalcoholische drank verkopen. Maar let wel goed op. Het kan niet zo zijn dat in een cafetaria zowel een biertje gedronken kan worden alsook bier of wijn meegenomen kan worden als je een bestelling ophaalt. Het is het een of het ander. Er is immers een verbod om te tappen en te slijten in dezelfde ruimte. Het verbod van artikel 22 is sinds november 2001 in de wet opgenomen. Met dit verbod wordt nog eens extra benadrukt dat alcohol en verkeer niet samengaan.

    Alleen in een slijterij mag sterke drank verkocht worden aan particulieren om elders op te drinken.

  • Verbod op alcoholverstrekking aan jeugdigen (artikel 20). Dit artikel verbiedt om alcoholhoudende drank aan personen beneden de 16 jaar te verstrekken. Het gaat dus zowel over slijten als tappen van alcohol. Voor sterke drank is de leeftijdsgrens op 18 jaar gesteld. Als er getwijfeld wordt aan de leeftijd moet naar een legitimatiebewijs gevraagd worden. Dit kunnen een paspoort, een rijbewijs, een identiteitskaart, ov-studentenkaart of een brommercertificaat zijn. Het pasje van de sportclub of je schoolpasje tellen niet als geldig legitimatiebewijs. Het artikel verbiedt ook dat een ouder persoon drank meeneemt voor een jonger persoon die niet aan de leeftijdseis voldoet. Dus een blad bier bestellen als 17-jarige en vervolgens het bier uitdelen aan meegenomen vrienden van onder de 16 jaar is niet toegestaan. Als je als barkeeper dat achteraf merkt, zul je bij een volgende bestelling nee moeten verkopen. Gemeenten mogen hogere leeftijdseisen stellen als het gaat om toegang tot horecagelegenheden. De maximale leeftijd die gemeenten mogen stellen, is overigens 21 jaar. In dit artikel is ook geregeld dat de minimale toegangsleeftijd voor een slijterij 16 jaar is. Als je jonger bent moet je in gezelschap zijn van iemand van 21 jaar of ouder. Dus een 12-jarige die een fles cola komt kopen in een slijterij moet de toegang geweigerd worden. Overigens zie je op alle slijterijen de leeftijdsgrens aangegeven bij of op de deur. In het laatste lid van dit artikel is het verbod opgenomen om iemand toe te laten die dronken is of onder invloed van drugs is. Dit verbod geldt ook voor het terras. Het is natuurlijk altijd discutabel of iemand dronken is, maar met het diploma sociale hygiëne word je geacht dit te kunnen beoordelen.

    Het is verboden om alcohol te schenken aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar of aan dronken personen.

  • Verbod tot verstrekken van alcohol bij vrees voor verstoring openbare orde (artikel 21). Dit artikel is een zogenaamd kapstokartikel. Als je weet dat door de verkoop van alcohol aan een bepaald persoon de mogelijkheid bestaat dat de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid in gevaar komt dan mag je dat niet doen. Dat betekent dus dat het verkopen van alcohol strafbaar is als je van tevoren weet of kunt vermoeden dat de persoon aan wie je alcohol verkoopt agressief wordt van alcohol. Dus iemand die dronken is, moet je de toegang weigeren (artikel 20) en iemand die dronken wordt mag je niet meer schenken (artikel 21).

  • Verbod om bij afwezigheid van een leidinggevende open te zijn (artikel 24). Met uitzondering van paracommerciële organisaties is het verboden om als horecabedrijf geopend te zijn als er geen leidinggevende aanwezig is. De leidinggevende moet wel op de vergunning vermeld zijn, zodat men bij controle kan nagaan of de aanwezige leidinggevende echt wel in dienst is van het horecabedrijf. Er zullen altijd meerdere leidinggevenden op de vergunning vermeld moeten zijn. De eigenaar zal ook altijd op de vergunning als leidinggevende vermeld zijn.

  • Werknemers in een horecabedrijf moeten ten minste 16 jaar oud zijn voor zover zij werkzaam zijn in de ruimte(s) waar alcohol wordt verstrekt. Dus iemand van 16 jaar achter de bar mag wel sterke drank tappen voor een gast, maar niet zelf nuttigen. Jongeren die nog geen 16 jaar zijn, kunnen wel in een horecabedrijf werken (afwas, schoonmaak voor of na sluitingstijd) zolang zij maar niet werken daar waar alcohol verkocht wordt.

  • Verbod om alcohol te nuttigen anders dan in een horecabedrijf (artikel 25). Het kwam nog wel eens voor dat alcohol ook gedronken werd in winkels. Onder het genot van een drankje werd muziek geluisterd voordat tot aankoop werd overgegaan. Ook een glaasje sherry bij de kapper was een bekend verschijnsel in sommige kringen. In lid 2 van artikel 25 staat uitdrukkelijk dat alcohol alleen genuttigd mag worden in een horecabedrijf. Dus in een bedrijf met een tapvergunning. Het maakt voor het verbod niet uit of de drank gratis is of dat er voor betaald moet worden.

Geen drank- en horecavergunning nodig omdat het een vervoermiddel is dat passagiers vervoert.

Vergunning (artikelen 26 tot 35)

In deze artikelen wordt aangegeven wat er gebeurt als je een vergunning aanvraagt en wat er met de vergunning vervolgens kan gebeuren als je een vergunning eenmaal hebt.

Aanvraag

We hebben al gezien dat de vergunning aangevraagd moet worden bij het college van B en W (artikel 3). Als je als ondernemer meerdere zaken hebt, zul je voor iedere zaak afzonderlijk een vergunning moeten aanvragen (artikel 7 lid 1). Dit is ook wel logisch want iedere inrichting moet aan de inrichtingseisen voldoen en dus kun je niet één vergunning hebben voor meerdere bedrijven. Iedere gemeente vraagt een bepaald bedrag (leges) voor het in behandeling nemen van de aanvraag. De bedragen per gemeente verschillen nogal. Als je om een of andere reden de vergunning niet krijgt, ben je het betaalde bedrag wel kwijt.

Weigering

In artikel 27 staat heel precies wanneer, na aanvraag, een vergunning geweigerd kan worden door het college van B en W. Een gemeente kan dus geen andere dan de hier genoemde redenen gaan aanvoeren voor het weigeren van een aanvraag.

Als de vergunning niet geweigerd kan worden, moet de gemeente een vergunning afgeven. Dat wil nog niet zeggen dat je ook daadwerkelijk open kunt als horecabedrijf. Er zijn ook andere wettelijke regels die kunnen verhinderen dat je een horecabedrijf start alhoewel je een drank- en horecavergunning hebt. Je kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Deze wet verplicht de gemeenten om aan te geven welke activiteit (bestemming) mag plaatsvinden in gebouwen of op gronden. Ook bepaalde gemeentelijke verordeningen kunnen het openen van een horecabedrijf in de weg staan.

Bijzondere aandacht verdient artikel 27 lid 3. Hierin wordt specifiek verwezen naar de Wet BIBOB (Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen door het Openbaar Bestuur). Deze wet is bedoeld om te voorkomen dat horecabedrijven gebruikt gaan worden als dekmantel voor criminele activiteiten. Denk aan het witwassen van drugsgelden en vrouwenhandel. Het bureau dat met de beoordeling belast is, kan in voorkomende gevallen een negatief advies afgeven aan het college van B en W.

Als een vergunning geweigerd wordt, heb je de mogelijkheid om via de procedure van de Awb (zie het hoofdstuk rechtsbescherming) bezwaar te maken en vervolgens in beroep te gaan.

Intrekking

In artikel 31 worden de situaties genoemd wanneer de verleende vergunning ingetrokken moet (lid 1) worden of kan (lid 2) worden. De vergunning moet in elk geval ingetrokken worden als niet langer voldaan wordt aan de eisen van artikel 8 en artikel 10. Ook als iemand leidinggevende is geworden terwijl hij niet op de vergunning vermeld is, is reden voor intrekking van de vergunning. Ook als gasten van de horecagelegenheid ten gevolge van overmatig alcoholgebruik regelmatig buiten op straat grote problemen veroorzaken heeft dit als gevolg dat de vergunning ingetrokken wordt.

Ontheffing (artikel 35)

Bij speciale gelegenheden van zeer tijdelijke aard kan door de burgemeester een ontheffing verleend worden van het vergunningvereiste in artikel 3. Dit betekent dat er dan zwakalcoholische drank mag worden getapt zonder dat er een vergunning voor nodig is. Wel moet het tappen gebeuren onder directe leiding van iemand die in het bezit is van de verklaring sociale hygiëne. De ontheffing is bedoeld voor speciale evenementen zoals koninginnedag, jaarmarkten, popconcerten en zomerfeesten. De tijdsduur van de ontheffing is maximaal 12 dagen.

Dus als het eerste elftal kampioen wordt en er een feest gehouden wordt, kan ontheffing verleend worden van de opgelegde sluitingstijd.
Bij speciale gelegenheden van zeer tijdelijke aard kan door de burgemeester een ontheffing verleend worden.

Bestuurlijke Boete (artikel 44a)

De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) is door de minister van Volksgezondheid aangewezen als controleur op naleving van de bepalingen van de Drank- en Horecawet. Sinds 2005 kan zij bij overtreding van de (meeste) bepalingen van de Drank- en Horecawet een bestuurlijke boete opleggen. Het opleggen van een bestuurlijke boete gaat buiten de strafrechter en het Openbaar Ministerie om. Bovendien kan een dwangsom worden opgelegd om te voorkomen dat de overtreding zich in de toekomst weer voordoet. De boete wordt geïnd door het Centraal Justitieel Incasso Bureau in Leeuwarden. De hoogte van de boetes is vermeld in het besluit bestuurlijke boete zoals vermeld in artikel 44b DHW.

Wel zijn er overtredingen van de Drank- en Horecawet die onder het strafrecht blijven vallen. Je moet dan denken aan het toelaten van dronken personen en het verstrekken van alcohol als dat kan leiden tot verstoring van de openbare orde (artikel 20 lid 7 en artikel 21). Ook als de overtreding een gevaar vormt voor de gezondheid en veiligheid van mensen wordt het strafrecht toegepast.

 

 

In samenwerking met het

© Noordhoff Uitgevers bv