Mijn Passie

Log hier in met je Entree account

Inhoud

Intro ↑Naar boven

In een horecabedrijf worden elke dag productiemiddelen gebruikt. Denk maar eens aan:

  • Verse groente;

  • De koelkast;

  • Frituurolie.

Deze raken door het gebruik op. Wie betaalt dat?

Rogier werkt bij een restaurant en heeft zojuist van de ondernemer uitleg gekregen over kosten en hoe je deze kunt terugverdienen. Hoe hij hiermee omgaat, zie je in de video.

Bron: Video-Centrum-Nederland bv, Soest.

Waarom heeft deze barman het niet begrepen volgens de eigenaar?

Je kan natuurlijk niet alle kosten door één klant laten betalen. Wat je wel met deze kosten moet doen leer je in deze theorie.

Deze theorie gaat over:

  • Wat kosten zijn.

  • Welke kostensoorten er zijn.

  • De kosten van duurzame productiemiddelen.

  • De berekening van interestkosten.

  • De kosten van arbeid.

  • Kosten van diensten.

  • Kosten van belastingen.

Kosten ↑Naar boven

Kosten

Een kok gebruikt verschillende hulpmiddelen om zijn beroemde gerechten te maken, zoals een werktafel, potten, pannen, gasfornuis, vlees, vis, water, gas, lepels en nog veel meer. Alles wat nodig is om een product te maken noemen we een productiemiddel. Productiemiddelen zullen aangeschaft moeten worden. Deze zijn niet gratis. Er zal voor betaald moeten worden.

Tijdens de bereiding van de soep worden productiemiddelen verbruikt en gebruikt. Anders gezegd: tijdens productie worden productiemiddelen opgeofferd. De waarde van de opgeofferde productiemiddelen kan berekend worden. Dit zijn de kosten van een onderneming: de waarde van de opgeofferde hulpmiddelen.

Welke productiemiddelen worden tijdens de bereiding van gerechten verbruikt en gebruikt?

De waarde van de gebruikte grond- en hulpstoffen kunnen vrij eenvoudig berekend worden. Grond- en hulpstoffen kunnen maar één keer gebruikt worden. Ze zijn verdwenen. De kosten van grond- en hulpstoffen is dus gelijk aan het bedrag dat voor de aanschaf betaald is.

Er zijn ook productiemiddelen die vaker gebruikt kunnen worden. Deze worden duurzame productiemiddelen genoemd. Zo gaat een gebouw jaren mee. Door gebruik daalt de waarde van een gebouw. Ook deze waardedaling kan berekend worden.

Uitgaven

Een horecaondernemer zal grondstoffen en gereedschappen moeten aanschaffen. Deze producten zullen betaald moeten worden. Ook zullen geleverde diensten betaald moeten worden, zoals de salarissen van medewerkers, de boekhouder, het telefoonbedrijf. Op het moment dat betaald wordt, wordt geld uitgegeven. Deze betalingen heten dan ook uitgaven.

Kosten ontstaan op het moment dat de hulpmiddelen verbruikt of gebruikt worden. Dit is vaak een ander moment dan de hulpmiddelen worden aangeschaft.

Wanneer maak je kosten, wanneer uitgaven?

Een restauranthouder koopt op 21 januari een bijzonder partij rode wijn in die hij contant betaalt. De wijn bewaart hij voor het kerstdiner. Tijdens het kerstdiner wordt de partij wijn in zijn geheel verbruikt.

Er is dus een verschil tussen uitgaven en kosten. Ook het bedrag aan kosten verschilt vaak van het bedrag dat uitgeven wordt.

Een horecaondernemer betaalt op 1 december de premie van de autoverzekering, in totaal € 600 voor het komend jaar. Over de maand december brengt hij (€ 600 / 12 maanden =) € 50 kosten in rekening. Ook in januari rekent hij € 50 aan kosten. De kosten komen op een ander moment dat er premie betaald is. Bovendien wordt een ander bedrag aan kosten berekend dan er uitgegeven is.

Kostprijs

Veel ondernemers starten een eigen onderneming om daarmee geld te verdienen. Er wordt geld verdiend als een product voor meer geld wordt verkocht dan dit gekost heeft. Een ondernemer zal de kostprijs van de producten moeten berekenen: de kosten van één product.

Wat is de kostprijs van één gerecht?

Op het moment dat een ondernemer slechts één product produceert, kan de kostprijs eenvoudig berekend worden door de totale kosten door het aantal geproduceerde producten te delen.

De scouting organiseert de jaarlijkse ‘oliebollenactie’. Er worden uitsluitend oliebollen zonder krenten en rozijnen gemaakt. De kosten van verbruik van meel, gas, water, licht, waardedaling potten en pannen, zijn in totaal €1.400. Er zijn 8.750 oliebollen gemaakt. De kostprijs van één oliebol bedraagt: totale kosten €1.400 : totale productie 8.750 = kostprijs € 0,16.

In een horecaonderneming worden verschillende gerechten/dranken verkocht. Het is mogelijk de kosten van grond- en hulpstoffen per gerecht/drankje te berekenen. De kosten van grond- en hulpstoffen in de horeca wordt inslag genoemd. Het is lastig (bijna onmogelijk) om de overige kosten zoals arbeid, slijtage kosten van pand, machines, gereedschappen, abonnementen van tijdschriften, per gerecht te berekenen. Dat wordt dan in de horeca dan ook niet gedaan. Men beperkt zich tot het berekenen van de inslag.

Kostensoorten ↑Naar boven

Kostensoorten

Een bedrijf gebruikt allerlei productiemiddelen om producten te maken. Als de productiemiddelen worden gebruikt, worden er kosten gemaakt. Hoe je deze kosten moet berekenen, hangt af van het productiemiddel. Soms kun je dat maar één keer gebruiken, zoals het grondstoffenverbruik. Soms kan een hulpmiddel vaker gebruikt worden, zoals de potten en pannen.

De kosten van de productiemiddelen tellen dus op verschillende manieren mee in de kostprijs. Om deze goed te kunnen berekenen, delen we de productiemiddelen en de kosten in categorieën in.

Zo krijg je een indeling in zes kostencategorieën, ook wel kostensoorten genoemd. De categorieën zijn:

  1. kosten van grond- en hulpstoffen

  2. kosten van duurzame productiemiddelen

  3. kosten van arbeid

  4. kosten van diensten van derden

  5. kosten van belastingen

  6. rentekosten

Grond- en hulpstofkosten

De meeste gerechten bestaan uit verschillende ingrediënten. Deze grondstoffen worden in de horeca inslag genoemd.

Naast ingrediënten waaruit de gerechten bestaan, worden er ook hulpstoffen gebruikt. Het verschil met grondstoffen is dat hulpstoffen niet in het product terechtkomen, je hebt ze alleen nodig tijdens de productie. Voorbeelden van hulpstoffen zijn frituurolie waarin friet gebakken wordt, het gas waarmee de pannen verwarmd worden.

Voorraad of grondstofkosten?

De kosten uit de categorie grond- en hulpstoffen moet een bedrijf in de kostprijs doorberekenen. Het gaat dan om alle kosten die het bedrijf voor de grond- en hulpstoffen heeft gemaakt:

  • de inkoopprijs: dat is de prijs die het bedrijf aan de leverancier van de grond- en hulpstoffen heeft betaald;

  • de inkoopkosten: de kosten die het bedrijf heeft gemaakt om de grond- en hulpstoffen in te kopen (bijvoorbeeld telefoonkosten);

  • de transportkosten: de kosten van het vervoer van de grond- en hulpstoffen van de leverancier naar het bedrijf (soms zitten deze kosten in de inkoopkosten)

  • de magazijnkosten: de kosten van de opslag van de grond- en hulpstoffen in het bedrijf tot het moment dat het bedrijf ze gaat gebruiken.

De totale kosten van grond- en hulpstoffen zijn de optelsom van deze vier.

Johan Smit koopt een partij wijn rechtstreeks bij een Franse wijnboer. De partij bestaat uit 1000 flessen die voor € 8 per fles ingekocht worden. De inkoopkosten (telefonische bestelling, bevestiging, administratieve verwerking factuur) zijn € 10. Het transport kost € 180. De flessen worden in een gehuurde opslag gelegd. Aan huur wordt voor de flessen € 20 per maand betaald. De flessen liggen drie maanden in de opslag. De inslag van één fles wijn bedraagt:

Uitwerking

Inkoopprijs

8,00

Inkoopkosten (€ 10 : 1.000 flessen =)

-

0,01

Transportkosten (€ 180 : 1.000 flessen =)

-

0,18

Magazijnkosten (3 × € 20 : 1.000 flessen =)

-

0,06

+

Inslag per ingekochte fles wijn

8,25

Afval en uitval

Afval is het verschil tussen de hoeveelheid grondstof die je voor de productie gebruikt en de hoeveelheid grondstof die in het product verwerkt wordt.

Op de kaart staat ‘een varkenshaas met gebakken champignons’. Champignons bestaan grotendeels uit water. Tijdens het bakken verdampt dit. Het gewicht van de champignons neemt hierdoor enorm af. Om de voorgeschreven 100 gram te kunnen serveren zal de kok 150 gram champignons moeten bakken. De afval bedraagt dus 50 gram.

De hoeveelheid die je gebruikt heet bruto verbruik. De hoeveelheid die in het product verwerkt wordt, heet nettogrondstoffenverbruik.
Het brutogrondstoffenverbruik geeft aan hoeveel grondstof in totaal is gebruikt.
Het nettogrondstoffenverbruik geeft aan hoeveel grondstof in het product is opgenomen.

In de berekening van de grondstofkosten moet je de kosten van het afval meenemen. Daarom rekenen we bij grondstofkosten altijd met het brutoverbruik. Afval is niet hetzelfde als verspillingen. Afval kun je niet voorkomen, het is onvermijdelijk. Verspillingen kun je wel voorkomen, die reken je niet mee in de kostprijs. Soms blijft afval over.

De chef-kok van een restaurant bestelt een heel wild zwijn. De chef-kok beent dit beest zelf uit. Het afval dat overblijft, bestaat onder andere uit: huid, kop, botten, ingewanden.

Afval hoeft niet waardeloos te zijn. Als afval kan worden verkocht, moet de opbrengst ervan van de grondstofkosten worden afgetrokken, om de juiste grondstofkosten te berekenen.

Bij het stoken van jenever blijft graanafval achter. Dit wordt als veevoer doorverkocht. Een partij graan wordt voor € 10.000 ingekocht. Het graanafval kan voor € 200 als veevoer verkocht worden. De prijs die voor het graan berekend wordt bedraagt (€ 10.000 - € 200 =) € 9.800.

Met uitval wordt het verlies bedoeld van het eindproduct. Dit komt in de horeca gelukkig niet zoveel voor. Als het toch per ongeluk gebeurt, zullen de inslagkosten stijgen (en ontstaat er lekkage).

Een ober laat tijdens het uitserveren een bord soep uit zijn handen vallen.

Is de overblijfselen een voorbeeld van verspilling of afval?

Kosten van duurzame productiemiddelen ↑Naar boven

Voor het maken van de meeste producten zijn duurzame productiemiddelen (dpms) nodig. Ze gaan lang mee, meestal een aantal jaren. Ze kunnen in meer dan één productieproces worden gebruikt. Met behulp van één dpm kun je dus veel producten maken. Voorbeelden van dpm’s zijn het gasfornuis, de koeling, de bar die in het restaurant staat, de bedden in hotels.

Aanschaf- en restwaarde

Om te kunnen berekenen hoe de kosten van een dpm in de prijs van een product moeten meetellen, moet je eerst nog iets meer weten van zo’n dpm.

De aanschafwaarde van een dpm is de prijs die je er bij aankoop voor betaalt. In de loop van de tijd wordt een dpm steeds minder waard. De machine wordt gebruikt en zal daardoor slijten, of er komen nieuwe modellen op de markt met meer mogelijkheden. Denk maar aan een auto die, naarmate hij ouder wordt, een steeds lagere inruilwaarde heeft.

De prijs die je bij verkoop voor een gebruikt dpm krijgt, is de restwaarde. Hoe langer een dpm wordt gebruikt hoe lager de restwaarde is. Het verschil tussen de aanschafwaarde en de restwaarde vormen de kosten van het dpm.

Cateringbedrijf De kookminister gebruikt een speciaal ingerichte vrachtwagen waarmee op locatie gekookt kan worden. Een deze speciale vrachtwagen kost € 70.000. De inruilwaarde van de vrachtwagen is na één jaar € 35.000, na twee jaar € 23.000 en na drie jaar € 14.000.

Wat zijn de kosten van de vrachtwagen?

Uitwerking

De kosten hangen af van de tijd dat het dpm wordt gebruikt.

Wordt hij één jaar gebruikt, dan zijn de kosten: € 70.000 - € 35.000 = € 35.000

Wordt hij twee jaar gebruikt, dan zijn de kosten: € 70.000 - € 23.000 = €47.000

Wordt hij drie jaar gebruikt, dan zijn de kosten: € 70.000 - € 14.000 = € 56.000

Levensduur

Een dpm slijt als het wordt gebruikt. Na een aantal jaren functioneert het zelfs niet meer. Dan zit zijn technische levensduur erop. De technische levensduur van een dpm is de tijd dat je het dpm kunt gebruiken. De technische levensduur van een vrachtwagen duurt net zolang als de vrachtwagen blijft rijden. Je weet van tevoren niet wat de technische levensduur van een dpm zal zijn. Het is dus lastig om daarmee te rekenen.

Een dmp werkt niet uit zichzelf. Om een vrachtwagen te laten rijden, zijn een chauffeur en brandstof nodig, moet de wagen regelmatig onderhouden worden en iets wat kapot is gerepareerd. We noemen alle aanvullende kosten die je maakt; om een dpm te kunnen gebruiken complementaire kosten (complementair = aanvullend).

De economische levensduur is de periode waarin de prestaties van een dpm meer waard zijn dan het kost om het dpm te gebruiken.

Als een dpm veel slijt, kan hij minder presteren en stijgen de complementaire kosten. Een oude vrachtwagen staat vanwege onderhoud en reparaties vaker stil dan een nieuwe, waardoor hij minder kilometers rijdt. De onderhouds- en reparatiekosten nemen toe.

Als het meer kost om een dpm te gebruiken dan dat het presteert, is de economische levensduur voorbij.

Een bedrijfsauto heeft onderhoud nodig. Weet je nog meer voorbeelden van complementaire kosten?

In een cafetaria staat een softijsmachine met een technische levensduur van tientallen jaren. Na verloop van tijd krijgt de machine steeds vaker last van storingen. De machine staat vaker stil. De complementaire kosten nemen toe, want er moet vaker een monteur komen. In de tabel staan de waarde van de prestaties en de complementaire kosten per jaar.

Jaar

Waarde Prestaties

Complementaire Kosten

1

€ 2.500

€ 1.000

2

€ 2.400

€ 1.000

3

€ 2.200

€ 1.200

4

€ 1.800

€ 1.500

5

€ 1.200

€ 2.000

6

€ 500

€ 2.800

Wat is de economische levensduur van de vulmachine?

Uitwerking

In de eerste vier jaar is de waarde van de prestaties hoger dan de complementaire kosten. Je kunt nog iets met de machine verdienen. In het vijfde jaar zijn de complementaire kosten hoger dan de waarde van de prestaties. Je kunt er niets meer aan verdienen. De economische levensduur is dus vier jaar.

Toelichting

Je kunt de economische levensduur ook in een grafiek aflezen. Dan plaats je op de horizontale as de jaren en op de verticale as de bedragen. Als je dan een lijn zou trekken, komt die lijn elk jaar bij een hoger bedrag uit. Dat zijn de complementaire kosten. De tweede lijn staat elk jaar bij een lager bedrag, dat zijn de prestaties. Op het punt waar de twee lijnen elkaar kruisen, zijn de complementaire kosten net zo hoog als de waarde van de prestaties. Op dat moment eindigt de economische levensduur. Dat is dus na iets meer dan vier jaren.

Afschrijvingen en boekwaarde

De ondernemer schat de economische levensduur van zijn dpm’s in. Die is voor een snijmachine vijf jaar. Een nieuw dpm komt in de boekhouding van het bedrijf te staan met de prijs waarvoor het gekocht is: de aanschafwaarde. Na een jaar is het dpm minder waard.

Het bedrag dat het dpm minder waard wordt, schrijft het bedrijf af van de aanschafwaarde in de boekhouding. Kosten, die ontstaan doordat een dpm minder waard wordt, heten afschrijvingen. De afschrijving wordt aan het eind van het jaar afgetrokken van de aanschafwaarde van het dpm.

Deze nieuwe waarde heet de boekwaarde. Dat is dus de waarde waarmee het dpm in de boeken staat bij de administratie van het bedrijf.

Hoe zit het met de boek- en restwaarde van dit dpm?

In de volgende jaren van de levensduur wordt de boekwaarde door de afschrijvingen steeds lager. Van de boekwaarde aan het eind van het vorig jaar trekken we de afschrijvingen van dit jaar af. Zo ontstaat steeds de nieuwe boekwaarde.

Een hotel heeft een sauna met een aanschafwaarde van € 45.000 laten installeren. De jaarlijkse afschrijvingen (in vier jaar) zijn respectievelijk € 15.000, € 14.000, € 10.000 en € 3.000.

Wat is de boekwaarde aan het eind van elk jaar?

Uitwerking

Eind jaar

Berekening boekwaarde

1

€ 45.000

-

€ 15.000

=

€ 30.000

2

€ 30.000

-

€ 14.000

=

€ 16.000

3

€ 16.000

-

€ 10.000

=

€ 6.000

4

€ 6.000

-

€ 3.000

=

€ 3.000

Aan het eind van het eerste jaar is er € 15.000 als kosten afgeschreven. In de boeken is de sauna dus nog maar € 30.000 waard. De boekwaarde aan het eind van het eerste jaar is dus € 30.000, aan het eind van het tweede jaar € 16.000, aan het eind van het derde jaar € 6.000 en aan het eind van het vierde jaar € 3.000.

Interestkosten ↑Naar boven

Interestkosten

Duurzame productiemiddelen kosten vaak veel geld en gaan meestal lang mee. Het geld dat een bedrijf in een dpm stopt, kan niet op de bank gezet worden. Het bedrijf loopt daardoor interest mis. Interest is een ander woord voor rente.

De misgelopen interest vormt een kostenpost: interestkosten. Heeft een bedrijf geen geld om een dpm te kopen, dan moet het geld gaan lenen bij de bank. De interest die over het geleende geld wordt betaald, zijn ook interestkosten.

De interestkosten bereken je over het gemiddeld geïnvesteerde vermogen in het betreffende jaar. Voor één duurzaam productiemiddel is het gemiddeld geïnvesteerde vermogen het gemiddelde van de boekwaarde aan het begin en aan het eind van het jaar.

Interestkosten = interestpercentage × ((boekwaarde begin jaar + boekwaarde eind jaar) : 2)

Het hotel berekent 7% interestkosten over de gemiddeld in de sauna geïnvesteerde vermogen. De aanschafwaarde is € 45.000, de boekwaarde na één jaar € 30.000. Hoe hoog zijn de interestkosten in het eerste jaar na aankoop van de sauna?

Uitwerking

De boekwaarde van de sauna aan het begin van het eerste jaar is gelijk aan de aanschafwaarde. Er is immers nog niets afgeschreven. Het gemiddeld geïnvesteerde vermogen in het eerste jaar is:

(€ 45.000 + € 30.000) : 2 = € 37.500

De interestkosten zijn: 7% × € 37.500 = € 2.625

Betaalde interest

Interestkosten bereken je altijd, of je nu een lening hebt afgesloten om een duurzaam productiemiddel te kopen, of dat je je eigen geld gebruikt. Bovendien is het berekende interestpercentage een gemiddelde van de interestkosten van alle verschillende vermogensvormen die je gebruikt. Het berekende interestpercentage kan dus afwijken van het te betalen interestpercentage van die ene lening. Het bedrag aan berekende interestkosten is daarom meestal niet gelijk aan het bedrag van de betaalde interest.

Restaurant Het Gulden Vlies berekent 8% interestkosten over het gemiddeld geïnvesteerde vermogen. Voor de aanschaf van nieuw meubilair ter waarde van € 50.000 heeft het bedrijf een lening afgesloten bij een bank. Het te betalen rentepercentage bedraagt 6% over het geleende bedrag. Elk jaar schrijft het bedrijf € 10.000 op het meubilair af. Bereken de interestkosten en de betaalde interest in het eerste jaar.

Uitwerking

De boekwaarde van het meubilair is na één jaar: € 50.000 - € 10.000 = € 40.000.

Het gemiddeld geïnvesteerde vermogen in het eerste jaar is:

(€ 50.000 + € 40.000) : 2 = € 45.000.

De interestkosten zijn:

8% × € 45.000 = € 3.600.

De betaalde interest in het eerste jaar is:

6% × € 50.000 = € 3.000.

Kosten van arbeid ↑Naar boven

Elk bedrijf dat personeel in dienst heeft, betaalt salaris. Dat zijn loonkosten. Deze bestaan uit brutoloon + werkgeverslasten + vergoedingen.

Andere kosten voor personeel, bijvoorbeeld voor personeelsfeestjes en bijscholing, zijn overige personeelskosten.

Bruto- en nettoloon

In elke arbeidsovereenkomst die een werkgever en werknemer ondertekenen, staat hoeveel brutoloon de werknemer krijgt. Dit loon ‘verdient’ de werknemer voor het geleverde werk.

Het brutoloon wijkt sterk af van het bedrag dat hij of zij op zijn of haar bankafschrift terugziet. Van dit loon moeten namelijk nog een aantal bedragen worden afgetrokken, namelijk de loonbelasting en de premies voor de sociale verzekeringen. Dit wordt ook wel de loonheffing genoemd. Je hoeft deze bedragen dan aan het eind van het jaar niet zelf aan de belastingdienst te betalen. De werkgever houdt deze bedragen voor de overheid in op het loon. Men noemt dit inhoudingen.

Noem zo veel mogelijk kosten die personeel met zich meebrengt.

Het bedrag dat de werknemer werkelijk ontvangt (dus na aftrek van de ingehouden loonbelasting en premies sociale verzekeringen), noemen we nettoloon.

Werkgeverslasten en loonkosten

De werkgever betaalt het nettoloon uit aan de werknemer, en draagt de ingehouden loonbelasting en de premies voor sociale verzekeringen af aan de belastingdienst en de bedrijfsvereniging. Daarnaast moet de werkgever zelf ook nog premies betalen voor de sociale verzekeringen van zijn werknemers. We noemen dit de werkgeverslasten.

Soms geeft een werkgever ook nog een vergoeding aan zijn werknemers voor gemaakte reis- en studiekosten en dergelijke. De werkgeverslasten en de vergoedingen verhogen dus de loonkosten. Het verband tussen deze begrippen zie je in het overzicht.

Nettoloon

+

Inhouding loonbelasting

+

Inhouding premies sociale verzekeringen

=

Brutoloon

+

Werkgeverslasten

+

Eventuele vergoedingen

=

Loonkosten

Els van Dam werkte de hele maand december. Haar brutoloon in december 2007 is € 1.135. De werkgeverslasten bedragen voor ‘Het Gulden Vlies’ 20% van het brutoloon. Els ontvangt een reiskostenvergoeding van € 50 per maand.

Bereken voor Het Gulden Vlies de loonkosten van Els in december 2007.

Uitwerking

Brutoloon

1.135,-

Werkgeverslasten 20% x € 1.135

-

227,-

Vergoedingen

-

50,-

+

Loonkosten

1.412,-

Loonstelsels

Er zijn verschillende manieren om de hoogte van het brutoloon te berekenen. Er zijn drie hoofdvormen, loonstelsels geheten, die bedrijven op grote schaal gebruiken, en die elk in verschillende situaties toepasbaar zijn:

  1. stukloon

  2. tijdloon

  3. premieloon

Bij stukloon spreekt het bedrijf een vaste beloning af per geleverde prestatie, bijvoorbeeld een vast bedrag per gemaakt product. Hoe meer producten je maakt, hoe hoger je beloning wordt. Stukloon wordt vooral gebruikt in de landbouw (bij de oogst van groente en fruit) en bij thuiswerk (bijvoorbeeld het inpakken van reclamefolders in enveloppen).

Bij tijdloon geldt een vast bedrag per gewerkte tijdseenheid, bijvoorbeeld een bedrag per uur of maand. Tijdloon gebruikt men als de prestaties niet goed meetbaar zijn, als kwaliteit belangrijker is dan kwantiteit, of gewerkt wordt met dure grondstoffen (bijvoorbeeld bij het slijpen van diamanten).

Premieloon is een mengvorm van stukloon en tijdloon. Naast een vaste vergoeding per tijdseenheid wordt een premie uitbetaald op basis van de hoeveelheid werk die is verricht. De premie is bedoeld om de werknemer tot hogere prestaties te stimuleren.

Stuk-, tijd- of premieloon.

Kruis in de onderstaande tabel aan welk loonstelsel het best past bij de genoemde functie of werkzaamheden en verklaar je keuzes.

Functie/werkzaamheden

Stukloon

Tijdloon

Premieloon

Leraar

Aardbeien plukken in de zomervakantie

Automonteur

Verkoper

Assemblage aan een lopende band

Uitwerking

Functie/werkzaamheden

Stukloon

Tijdloon

Premieloon

Leraar

x

Aardbeien plukken in de zomervakantie

x

Automonteur

x

Verkoper

x

Assemblage aan een lopende band

x

Een leraar verricht prestaties die niet goed meetbaar zijn. Tijdloon is dus de beste oplossing.

Aardbeien plukken is een goed meetbare activiteit, waarbij de snelheid van werken sterk verschilt per persoon. Stukloon is dan ook de beste beloningswijze.

Een automonteur verricht allerlei verschillende werkzaamheden, die allemaal een verschillende tijd duren. Dit is afhankelijk van de storing. Tijdloon is dus de beste oplossing.

De prestaties van een verkoper zijn goed meetbaar. Omdat de verkoper toch ook afhankelijk is van de drukte heeft hij zijn prestaties echter niet voor 100% in eigen hand. Meestal kiest men daarom voor premieloon, in de vorm van een vast basisloon aangevuld met een provisie over de gerealiseerde omzet.

Bij werkzaamheden aan een lopende band kan de werknemer zijn eigen tempo niet bepalen. Hij is afhankelijk van de snelheid van de band. Tijdloon is dus de beste oplossing.

Kosten van diensten van derden ↑Naar boven

Niet alle activiteiten van een bedrijf worden uitgevoerd door de eigen werknemers. Werk kan worden uitbesteed aan andere bedrijven of personen. We noemen dit diensten van derden. Het gaat dan vaak om activiteiten waar het bedrijf zelf geen mensen voor in dienst heeft, zoals:

  • het schoonmaken van hotelkamers

  • het opzetten van een reclamecampagne

  • het beoordelen van sollicitanten door een psychologisch adviesbureau

  • de boekhouding

Kosten van belastingen ↑Naar boven

Iedereen in Nederland betaalt belasting. Er bestaan allerlei soorten belastingen. Een autobezitter betaalt motorrijtuigenbelasting, een werknemer betaalt loonbelasting, een bedrijf betaalt belasting over de winst die gemaakt is. De overheid gebruikt dit geld om algemene voorzieningen van te betalen, zoals wegen, onderwijs en gezondheidszorg. Belasting betalen is verplicht.

Belastingen kunnen worden verdeeld in twee groepen:

  1. belastingen die de kostprijs niet verhogen

  2. belastingen die de kostprijs wel verhogen

Belastingen die de kostprijs niet verhogen moet het bedrijf wel betalen, maar mogen niet tot de kosten worden gerekend. Deze belastingen zijn:

  • winstbelasting: belasting die een bedrijf moet betalen over de behaalde winst, bij een klein bedrijf is dit inkomstenbelasting, bij een groot bedrijf vennootschapsbelasting

  • omzetbelasting (ob) = belasting toegevoegde waarde (btw)

Kostprijsverhogende belastingen

Een kostprijs verhogende belastingen verhoogt, zoals het woord al zegt, de kostprijs. Daarom mogen ze worden doorberekend in de kostprijs.

Voorbeelden van kostprijsverhogende belastingen zijn:

  • onroerendezaakbelasting: belasting die een eigenaar van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een gebouw) moet betalen aan de gemeente

  • motorrijtuigenbelasting: die moet de eigenaar van een motorvoertuig betalen

  • belasting personenauto’s en motorvoertuigen (bpm): die moet de koper van een nieuwe auto of motor betalen

  • assurantiebelasting: een belasting die je moet betalen over de premie van bijvoorbeeld een schadeverzekering

  • accijnzen: een toeslag op een product waarvan de overheid het gebruik eigenlijk wil afremmen, zoals benzine, alcohol en sigaretten

  • invoerrechten: belasting die moet worden betaald bij de invoer van goederen uit het buitenland

  • precariorechten (voor het uitstallen van je terras)

 

 

In samenwerking met het

© Noordhoff Uitgevers bv